ECLI:NL:RBDHA:2026:3599

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL25.19047
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag biseksuele asielzoeker uit Sierra Leone

Eiser, behorend tot de Limba-bevolkingsgroep in Sierra Leone en aanhanger van de Rastafari-levensbeschouwing, diende op 13 juli 2022 een asielaanvraag in. De minister wees deze op 11 april 2025 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen. Eiser voerde beroep aan tegen deze afwijzing en stelde dat het referentiekader niet was betrokken en dat zijn persoonlijke beleving ten onrechte werd betwijfeld.

De rechtbank oordeelt dat de minister het referentiekader onvoldoende heeft beschreven en gemotiveerd, waardoor het besluit niet deugdelijk is. Desondanks acht de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt welke aspecten van zijn referentiekader onvoldoende zijn betrokken en de minister terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over zijn biseksualiteit.

De rechtbank vernietigt het besluit en veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van €1.868,-. Het beroep is gegrond, maar de afwijzing blijft rechtsgevolg behouden. Eiser kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19047

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is maar dat de rechtsgevolgen (de afwijzing van de asielaanvraag) in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 juli 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 april 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op 18 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de Limba-bevolkingsgroep in Sierra Leone en de Rastafari-levensbeschouwing aanhangt en dat hij biseksueel is. Hij verklaart dat hij binnen zijn gemeenschap verdacht werd van homoseksualiteit vanwege zijn gedrag. Eiser verklaart dat hij op enig moment door een groep personen is aangevallen en mishandeld. Tijdens deze aanval zou een aanwezige evangeliserende vrouw hebben uitgeroepen dat men zijn ogen moest uitsnijden, omdat hij “homo wilde zijn omdat hij kon zien”. Enige tijd na deze gebeurtenissen is hij door leden van het zogenoemde Poro-genootschap is meegenomen naar een kamp. Daar zou hij gedwongen zijn besneden als onderdeel van een initiatieritueel. Omdat eiser tijdens deze besnijdenis hevig bloedde, zou hij door leden van het genootschap naar huis zijn gebracht om te herstellen. Kort daarna is eiser naar Guinee gevlucht. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Sierra Leone vreest voor ernstige schade, waaronder het risico om gedood te worden of door de politie te worden opgepakt en tot levenslange gevangenisstraf met dwangarbeid te worden veroordeeld vanwege de aan hem toegedichte homoseksualiteit. Tevens vreest eiser dat het Poro-genootschap hem opnieuw zal oppakken om de initiatie en overige rituelen te voltooien en hem gedwongen lid te maken.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • de biseksualiteit en de daaruit volgende problemen;
  • Rastafari levensbeschouwing.
4.1.
Bij het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en de Rastafari levensbeschouwing van hem geloofwaardig, maar acht de biseksualiteit en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig. De geloofwaardig geachte motieven leveren geen gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer op. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep
5. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Eiser voert allereerst aan dat in de besluitvorming een beschrijving van het referentiekader ontbreekt, zodat niet duidelijk is hoe hier mee rekening is gehouden.
5.1.
Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij geen inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke gevoelens en gedachten en slechts oppervlakkige, feitelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn seksuele gerichtheid. Deze conclusie vindt geen steun in de gehoren. Uit het nader gehoor – zoals ook blijkt uit het door de minister aangehaalde citaat op pagina 4 van het voornemen – blijkt dat eiser juist heeft verklaard over de wijze waarop hij mannen en vrouwen het hof maakt en welke betekenis dit voor hem heeft. Dit betreft geen oppervlakkige, maar persoonlijke reflectie aldus eiser. Volgens eiser is het onjuist dat hij wisselend zou hebben verklaard over zijn biseksuele geaardheid, aangezien dit verschil voortkomt uit een definitiekwestie en hij eerdere one-night-stands niet als relaties of liefde aanmerkte maar als een eenmalige gebeurtenis.
Daarnaast heeft eiser uiteengezet hoe het voor hem was in Sierra Leone vanwege zijn homoseksuele gerichtheid, en na zijn vertrek uit Sierra Leone, in Nederland te leven als lid van de LHBT-gemeenschap. Hij verklaarde dat hij nieuwsgierig was en zichzelf beter wilde leren kennen. Dit ziet direct op zijn persoonlijke ontwikkeling. De minister heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn innerlijke beleving.
5.2.
Daarbij voert eiser aan dat hij over het incident met de evangeliserende vrouw en de ontvoering door het Poro-genootschap heeft verklaard voor zover dat van hem kon worden verwacht, gelet op het tijdsverloop, zijn jonge leeftijd ten tijde van de ontvoering en de traumatiserende aard van de gebeurtenissen. Dat hij zich geen nadere details kan herinneren, ook over de periode voorafgaand aan en na afloop van de ontvoering, kan hem volgens eiser niet worden tegengeworpen, nu traumatisering niet alleen de herinnering aan de gebeurtenis zelf, maar ook aan de omliggende periode kan beïnvloeden.
Referentiekader
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser ten onrechte niet kenbaar uiteengezet heeft in de besluitvorming. Het kenbaar betrekken van het referentiekader vereist allereerst dat de minister dit referentiekader in de besluitvorming beschrijft. Daarnaast dient de minister te motiveren op welke wijze dit referentiekader van invloed is op het oordeel over hetgeen in het algemeen van de vreemdeling mag worden verlangd ter onderbouwing van zijn asielrelaas, alsmede op welke wijze de verschillende aspecten van dat referentiekader zijn betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Nu in het voornemen en het bestreden besluit geheel niet is opgenomen wat er van eiser, gelet op zijn referentiekader, mag worden verwacht is het bestreden besluit op dit vlak niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en licht dat hieronder toe.
6.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat gesteld noch gebleken is dat eiser vanwege medische omstandigheden niet in staat was om uitgebreider te verklaren. Uit het medische advies van 16 oktober 2024 blijkt evenmin van beperkingen die van invloed zijn op zijn verklaringsvermogen. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting toegelicht dat bij de beoordeling van de verklaringen van eiser wel rekening is gehouden met zijn persoonlijke achtergrond en herkomst uit Sierra Leone, maar dat deze omstandigheden niet afdoen aan de verwachting dat eiser op een authentieke wijze kan verklaren over zijn geaardheid en zijn persoonlijke ontwikkeling. De gemachtigde van de minister heeft daarbij toegelicht dat juist deze gestelde bedreigende situatie aanleiding geeft om te verwachten dat eiser kan verklaren over de impact daarvan op zijn persoonlijke beleving en zelfacceptatie. Voorts is toegelicht dat eiser tijdens de gehoren voldoende gelegenheid heeft gehad om hierover te verklaren en dat voldoende is doorgevraagd, terwijl niet is gebleken dat eiser door culturele verschillen niet heeft begrepen waarover hij diende te verklaren.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met het voorgaande alsnog voldoende gemotiveerd waarom van eiser mag worden verwacht dat hij uitgebreider kan verklaren over zijn gestelde geaardheid en de problemen die daaruit voortkomen. De rechtbank overweegt verder dat eiser in beroep niet concreet heeft gemaakt welke aspecten van zijn referentiekader onvoldoende zijn betrokken en op welke wijze hij, door zijn referentiekader, minder heeft kunnen verklaren. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Geloofwaardigheid biseksualiteit en de daaruit volgende problemen
7. Allereerst heeft eiser zijn seksuele gerichtheid en de problemen die daaruit volgen niet met doorslaggevende documenten onderbouwd. De minister heeft, nu het asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, de geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen ten aanzien van de geloofwaardigheid. [2] De minister heeft daarbij sub c van artikel 31, zesde lid van de Vw aan eiser tegengeworpen.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft met zijn verklaringen onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zijn persoonlijke ontwikkeling ten aanzien van zijn biseksuele gerichtheid is verlopen.
Uit de verklaringen [3] blijkt vooral hoe eiser potentiële partners benadert en dat hij contact met mannen als gemakkelijker en seksueel opwindend ervaart. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser daarmee voornamelijk feitelijk en algemeen blijft en onvoldoende inzicht geeft in zijn innerlijke beleving en persoonlijke ontwikkeling ten aanzien van zijn gestelde biseksuele gerichtheid.
Hoewel eiser heeft verklaard hoe hij het leven in Sierra Leone en, na zijn vertrek, in Nederland als lid van de LHBT-gemeenschap heeft ervaren en daarbij heeft verklaard dat hij nieuwsgierig was en zichzelf beter wilde leren kennen, heeft hij deze verklaringen niet nader geconcretiseerd. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eiser hiermee blijft steken in algemene termen, zoals acceptatie, leren en open minded zijn, zonder inzicht te geven in zijn eigen authentieke gevoelens of in een concreet doorlopen proces van bewustwording en zelfacceptatie.
Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser, ondanks doorvragen door de hoormedewerker, is blijven hangen in het beschrijven van feitelijke handelingen en onvoldoende heeft toegelicht wat deze algemene begrippen voor hem persoonlijk betekenden en hoe deze hebben bijgedragen aan zijn persoonlijke ontwikkeling met betrekking tot zijn gerichtheid. Nu eiser ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om zijn verklaringen te verdiepen en dit heeft nagelaten, heeft de minister deze verklaringen in redelijkheid mogen aanmerken als onvoldoende persoonlijk en authentiek.
Daarnaast volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij zich bewust is geworden van zijn biseksuele gerichtheid. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij pas in Nederland, na het aangaan van een relatie met een vrouw, tot het inzicht is gekomen dat hij ook op vrouwen valt, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij reeds in Griekenland en Spanje seksuele contacten met vrouwen had. Dat eiser heeft gesteld dat deze contacten
one-night-standsbetroffen en geen relaties, doet hier niet aan af, nu het in dit kader niet gaat om het aangaan van relaties met vrouwen, maar om de door eiser gestelde bewustwording van zijn biseksualiteit. Nu eiser deze inconsistenties niet inzichtelijk heeft verduidelijkt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen consistente en geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over zijn bewustwordingsproces.
In het verlengde daarvan heeft de minister tevens betekenis mogen toekennen aan de summiere en weinig concrete verklaringen van eiser over het incident met de evangeliserende vrouw en de gestelde ontvoering door het Poro-genootschap, nu deze gebeurtenissen de kern van het asielrelaas vormen. Hoewel voorstelbaar is dat het tijdsverloop en het ervaren trauma van invloed zijn geweest op eisers herinneringen, heeft de minister terecht mogen tegenwerpen dat eiser ook over basale en essentiële elementen van deze incidenten, zoals het begin, verloop en einde daarvan, geen concrete en verifieerbare verklaringen heeft kunnen afleggen. Gelet hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan het asielrelaas onvoldoende geloofwaardigheid toekomt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 Awb Pro [4] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand te laten.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.WI 2024/6 onder 4.2.
3.Aanvullend gehoor, pagina 13.
4.Algemene wet bestuursrecht.