ECLI:NL:RBDHA:2026:3597
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling afgewezen
De minister legde op 17 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep getoetst aan de hand van de ontwikkelingen sinds het vorige onderzoek op 2 januari 2026.
Eiser betoogde dat Algerije zijn land van herkomst is en dat de aanvraag van een laissez-passer (lp) bij Marokko niet serieus is, mede omdat deze pas op 16 december 2025 werd ingediend terwijl al op 27 oktober 2025 bekend was dat Algerije geen lp zou afgeven. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat het belang van zijn vrijheid zwaarder moet wegen dan het belang van de minister om hem in bewaring te houden.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht zijn inspanningen richt op terugkeer naar Marokko nu Algerije heeft aangegeven dat eiser bij hen niet bekend is. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting, onder meer door herhaalde schriftelijke rappels en vertrekgesprekken. Het ontbreken van een geplande presentatie is onvoldoende reden voor een ander oordeel. De stelling dat de maatregel als ordemaatregel wordt ingezet is niet onderbouwd. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.