ECLI:NL:RBDHA:2026:3597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7956
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling afgewezen

De minister legde op 17 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep getoetst aan de hand van de ontwikkelingen sinds het vorige onderzoek op 2 januari 2026.

Eiser betoogde dat Algerije zijn land van herkomst is en dat de aanvraag van een laissez-passer (lp) bij Marokko niet serieus is, mede omdat deze pas op 16 december 2025 werd ingediend terwijl al op 27 oktober 2025 bekend was dat Algerije geen lp zou afgeven. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat het belang van zijn vrijheid zwaarder moet wegen dan het belang van de minister om hem in bewaring te houden.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht zijn inspanningen richt op terugkeer naar Marokko nu Algerije heeft aangegeven dat eiser bij hen niet bekend is. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting, onder meer door herhaalde schriftelijke rappels en vertrekgesprekken. Het ontbreken van een geplande presentatie is onvoldoende reden voor een ander oordeel. De stelling dat de maatregel als ordemaatregel wordt ingezet is niet onderbouwd. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7956

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 17 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 17 februari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 5 januari 2026. [3] In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 2 januari 2026 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat alle aanknopingspunten wijzen naar Algerije als het land van herkomst van eiser. De lp [4] aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten kan daarom niet worden gezien als een serieus verzoek.
3.1.
Het is daarnaast onduidelijk waarom pas op 16 december 2025 een lp is aangevraagd bij Marokko, terwijl al op 27 oktober 2025 bekend was dat de Algerijnse autoriteiten geen lp voor eiser zouden afgeven. Dit kan niet als voortvarend handelen worden gezien. Het onderzoek in Marokko duurt al twee maanden, zonder succes. Het is ook niet voortvarend dat er bij de Algerijnse noch Marokkaanse autoriteiten een presentatie is gepland. Gezien de duur van de bewaring, de eerdere bewaring en de geringe kans dat de minister nog zal slagen in de uitzetting van eiser, dient het belang van eiser in vrijheid te worden gesteld zwaarder te wegen dan het belang van de minister eiser in bewaring te houden. De bewaring wordt tot slot door de minister ingezet als ordemaatregel en niet ter fine van uitzetting.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. Nu de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven dat eiser bij hen niet bekend is, richt de minister terecht zijn inspanningen op terugkeer naar Marokko. Indien eiser van mening is dat dit niet juist is, is dit aan hem om aannemelijk te maken.
4.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Zo is er de afgelopen toetsperiode tweemaal schriftelijk op de lp-aanvraag gerappelleerd en hebben er twee vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Dat er (nog) geen presentatie is gepland, is op dit moment onvoldoende voor een ander oordeel. Over het moment van aanvragen van de lp op 19 december 2025 kan de rechtbank geen oordeel geven, nu dit buiten onderhavige toetsperiode valt. Dat de minister de maatregel gebruikt als ordemaatregel, is daarnaast niet onderbouwd en de rechtbank ziet ook geen aanleiding voor dit oordeel. De minister heeft tot slot terecht geen aanleiding gezien voor het opleggen van een lichter middel. De enkele stelling dat de kans klein is dat eiser zal worden uitgezet, is in dit kader onvoldoende.
4.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [5]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.Zaaknummer NL26.62583.
4.Laissez-passer.
5.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).