De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De toetsing richtte zich op de periode van 7 januari 2026 tot 9 februari 2026, aangezien eerdere rechtmatigheid reeds was vastgesteld.
Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van zicht op uitzetting reeds eerder was beoordeeld en dat de situatie sindsdien niet was gewijzigd. Bovendien weigerde eiser mee te werken aan het afnemen van vingerafdrukken, wat voor zijn eigen rekening kwam.
De voortgangsrapportage toonde aan dat verweerder actief handelde, onder meer door rappelleren bij Marokkaanse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken. Eiser verscheen niet bij enkele geplande gesprekken. De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld.
Een stelling van eiser dat de maatregel voor een ander doel werd gebruikt, werd niet nader onderbouwd en bleef onbeoordeeld. De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante EU-rechtspraak en concludeerde dat geen belemmeringen zoals non-refoulement of gezinsleven zich verzetten tegen verwijdering.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.