AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herroeping omgevingsvergunning wegens ontbrekende splitsings- en monumentenvergunning
Eiser diende op 21 november 2022 een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor een grondige renovatie en verbouw van een cultureel erfgoedpand. Het college verleende op 20 april 2023 de vergunning, maar herroept deze op 19 december 2023 na gegrondverklaring van bezwaren van derde-partijen. De herroeping is gebaseerd op het feit dat de vergunning niet zag op de activiteiten 'woningsplitsing' en 'wijzigen van een gemeentelijk monument', die onlosmakelijk verbonden zijn met de bouwactiviteiten en waarvoor aparte vergunningen vereist zijn.
De rechtbank oordeelt dat de splitsing van het pand in twee woningen in strijd is met het bestemmingsplan en dat de wijziging van het gemeentelijk monument vergunningplichtig is volgens de Erfgoedverordening. De aanvraag vermeldde de splitsing niet duidelijk en het college kon dit pas in de bezwaarfase vaststellen. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat de splitsing en monumentenwijziging niet in de lopende procedure kunnen worden meegenomen en dat eiser een nieuwe aanvraag moet indienen.
Verder stelt de rechtbank vast dat het pand niet als gemeentelijk monument in het erfgoedregister staat, waardoor de vergunningplicht voor wijziging van een monument volgens de Erfgoedverordening niet van toepassing is. Wel geldt dat bij een nieuwe aanvraag getoetst moet worden aan de beheersverordening Cultuurhistorie. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herroeping van de omgevingsvergunning wegens ontbrekende vergunningen voor splitsing en monumentenwijziging.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/883
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigden: S. Aydin en D. van de Graaf).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij]uit [woonplaats 2] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herroeping van een op 20 april 2023 aan eiser verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw aan de zijkant en een aanbouw aan de achterzijde met dakterras op de locatie [adres] . Eiser is het niet eens met de herroeping van de vergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herroeping van de vergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen herroepen .Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 november 2022 een aanvraag ingediend voor een “grondige renovatie, verbouw van een cultureel erfgoed” aan de [adres] . De aanvraag ziet op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Met het besluit van 20 april 2023 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Omdat buiten het bouwvlak en op de erfgrens wordt gebouwd, heeft het college de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan “Hazerswoude-Dorp” uit 2007, gedeeltelijk herzien bij het bestemmingsplan “1e partiële herziening Hazerswoude-Dorp” uit 2010. Beide bestemmingsplannen zijn op grond van artikel 1 vanPro de beheersverordening “Hazerswoude-Dorp 2017” van toepassing. Het college heeft daarom de omgevingsvergunning ook verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo.
2.1.
Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college de bezwaren van derde-partijen tegen het besluit van 20 april 2023 gegrond verklaard en de omgevingsvergunning herroepen.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 december 2023. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen zijn verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. In het besluit van 19 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning herroepen. Het college heeft daarbij, onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften, het standpunt ingenomen dat de verleende omgevingsvergunning ten onrechte niet ziet op de activiteiten ‘woningsplitsing’ en ‘wijzigen van een gemeentelijk monument’. Het betreft onlosmakelijk samenhangende activiteiten, die tegelijkertijd met de activiteit ‘bouwen’ door eiser hadden moeten worden aangevraagd. Splitsing van het pand in twee woningen is in strijd met artikel 14.4.1, onder d, van het bestemmingsplan “Hazerswoude-Dorp” (bestemmingsplan). De splitsing kan leiden tot extra parkeerdruk en verlies van privacy en uitzicht voor omwonenden. Daarom is voor de splitsing een omgevingsvergunning nodig om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college heeft echter niet getoetst aan artikel 14.6.2 van het bestemmingsplan, dat de toetsingsgronden bevat om af te wijken van dit vereiste, omdat in eerste instantie niet duidelijk was dat splitsing was beoogd. Verder moet het pand worden aangemerkt als een gemeentelijk monument. Het wijzigen van een gemeentelijk monument is in strijd met artikel 11.1, onder a, van de Erfgoedverordening Alphen aan den Rijn 2021 (Erfgoedverordening). Daarom had bij nader inzien ook voor de activiteit ‘wijzigen van een gemeentelijk monument’ een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. Het college vindt in navolging van het advies van de commissie dat één en ander niet in de bezwaarprocedure kan worden hersteld, maar dat eiser eventueel een nieuwe aanvraag kan indienen waarin de splitsing en de wijziging van het monument kunnen worden meegenomen.
Juridisch kader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is op 21 november 2022 – en dus vóór 1 januari 2024 – ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
De voor deze uitspraak overige relevante wet- en regelgeving is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Had de splitsing in de lopende procedure moeten worden betrokken?
5. Eiser betoogt dat het college hem in de gelegenheid had moeten stellen om zijn aanvraag aan te vullen alvorens te beslissen op het bezwaar. Op grond van artikel 3:20 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rust op een bestuursorgaan een inspanningsverplichting om de aanvrager te wijzen op andere benodigde vergunningen. Het college was volgens eiser op de hoogte van het voornemen tot splitsing. De voorgenomen splitsing blijkt uit de bouwtekeningen bij de aanvraag, het toekennen van twee adressen aan het pand in de brief van 25 april 2023 en het stedenbouwkundig advies.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het pas in de bezwaarfase ontdekte dat eiser van plan was de woning te splitsen, en dat dus ook een vergunning nodig was voor de activiteit woningsplitsing. Het college stelt zich op het standpunt dat dit punt in het bestreden besluit niet meer kon worden hersteld en dat eiser daarom een nieuwe aanvraag moet indienen.
5.2.
Op de locatie rust op grond van het bestemmingsplan de bestemming “Gemengd”. Op grond van artikel 7.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan zijn de voor “Gemengd” aangewezen gronden bestemd voor wonen, met dien verstande dat in geval van wonen in het gehele pand de voorschriften gelden zoals vastgesteld voor de bestemming “Wonen” in artikel 14. Op grond van artikel 14.4.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan mag per bouwperceel één woning aanwezig zijn, met dien verstande dat dit niet van toepassing is op gestapelde woningen. In artikel 1.68 wordt een woning gedefinieerd als een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Onbetwist is dat het bouwplan niet moet worden aangemerkt als ‘gestapelde woning’ in de zin van het bestemmingsplan. Gelet op het feit dat het bouwplan voorziet in twee woningen op één perceel, is het bouwplan in strijd met artikel 14.4.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan.
5.3.
De rechtbank overweegt dat het college de aanvraag terecht niet heeft opgevat als een aanvraag waarmee splitsing van het pand werd beoogd. In het aanvraagformulier wordt niet vermeld dat de bedoeling is dat het pand wordt gesplitst en dit is ook niet zonder meer af te leiden uit de bouwtekeningen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat een gemeenteambtenaar op enig moment voorafgaand aan verlening van de vergunning op de hoogte was dat eiser twee woningen wilde realiseren, maar dat is onvoldoende voor de conclusie dat de aanvraag ook op splitsing zag, ook al omdat het niet duidelijk is wanneer en hoe deze informatie het college heeft bereikt. Ook het toekennen van twee huisnummers is, voor zover daarvan sprake was, in dit verband niet doorslaggevend. Pas in de bezwaarfase werd het het college voldoende duidelijk dat eiser splitsing van het pand heeft beoogd en toen was de vergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten aanzien van het bouwvlak al verleend. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2908) is geen nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is. Naar het oordeel van de rechtbank was in het nu voorliggende geval wijziging van de aanvraag met het oog op splitsing van de woning in twee woningen geen wijziging van ondergeschikte aard. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat toevoeging van een woning in strijd was met artikel 14.4.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan, en dat dus alsnog getoetst zou moeten worden aan artikel 14.6.2 van het bestemmingsplan, dat de toetsingsgronden bevat voor afwijking van het vereiste in artikel 14.4.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat de voorgenomen splitsing niet kon worden betrokken in de lopende bezwaarprocedure, en dat eiser voor de splitsing een nieuwe aanvraag moest indienen.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet. Hoe nu verder?
6. Het voorgaande betekent dat eiser voor het realiseren van het bouwplan (inclusief splitsing) een nieuwe aanvraag zal moeten doen. Om die reden hoeven de overige beroepsgronden hier niet te worden besproken.
7. Met het oog op de besluitvorming in geval van een eventuele nieuwe aanvraag, overweegt de rechtbank nog het volgende.
7.1.
Eiser betoogt dat het pand in de Erfgoedverordening niet is aangewezen als gemeentelijk monument. Daarom hoeft volgens eiser geen vergunning te worden aangevraagd voor het wijzigen van een monument. Subsidiair betoogt eiser dat het college eiser in de gelegenheid had moeten stellen om de aanvraag aan te vullen met de activiteit ‘wijzigen van een gemeentelijk monument’.
7.2.
Het college stelt zich in beroep op het standpunt dat het pand een gemeentelijk monument is en dat het verbouwen van het pand daarom op grond van de Erfgoedverordening vergunningplichtig is. Omdat ook dit in eerste instantie niet is onderkend en daarom niet is beoordeeld of een dergelijke vergunning kan worden verleend, en omdat ook dit geen ondergeschikt punt is, kon ook dit in de bezwaarprocedure niet meer worden meegenomen. Ook in zoverre vindt het college dat beoordeling pas kan plaatsvinden als eiser een nieuwe aanvraag heeft gedaan.
7.3.
De rechtbank overweegt dat de activiteiten ‘bouwen’ en ‘wijzigen van een monument’ onlosmakelijk verbonden activiteiten zijn in de zin van artikel 2.7 van de Wabo. Indien sprake is van een vergunningplicht omdat sprake is van een monument op grond van een gemeentelijke (erfgoed)verordening, moet het college een aanvrager daarop wijzen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit in dit geval niet aan de orde is. Op grond van artikel 1 vanPro de Erfgoedverordening is in twee situaties sprake van een monument. Op grond van artikel 1, aanhef en onder 1, sub a, van de Erfgoedverordening is sprake van een monument in geval van een gemeentelijk (archeologisch) monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De aanwijzing van dergelijke monumenten is geregeld in hoofdstuk 2 van de Erfgoedverordening (artikel 3 e.v.). Het pand aan de [adres] is echter niet aangewezen als een monument in deze zin, omdat het niet op de betreffende lijst staat. Daarnaast is op grond van artikel 1, aanhef en onder 1, sub b, van de Erfgoedverordening sprake van een monument in geval van een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk dat in het bestemmingsplan en/of de beheersverordening Cultuurhistorie is bestemd tot ‘Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken – Monumentaal’. Het pand van eiser valt in deze categorie, en het is dus inderdaad aan te merken als monument in de zin van artikel 1 vanPro de Erfgoedverordening. De vergunningplicht in de verordening ziet echter alleen op de eerstbedoelde categorie monumenten, dat wil zeggen de monumenten die in het erfgoedregister zijn ingeschreven. Artikel 11 vanPro de verordening staat immers in hoofdstuk 2, dat uitsluitend gaat over die categorie monumenten. Hoofdstuk 3 gaat over de monumenten bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 1 sub b, waar het pand van eiser toe behoort. Artikel 15 isPro de enige bepaling in dit hoofdstuk. In artikel 15 vanPro de Erfgoedverordening wordt ten aanzien van deze categorie echter niet bepaald dat een vergunning nodig is. De rechtbank is daarom van oordeel dat op grond van de Erfgoedverordening geen vergunningplicht bestaat voor het wijzigen van het pand van eiser. Wel brengt het feit dat het pand ligt binnen de bestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie – Bouwwerken – Monumentaal’ op grond van de beheersverordening “Cultuurhistorie” met zich dat de bepalingen in artikel 2 vanPro die beheersverordening op het bouwplan van toepassing zijn. Bij een eventuele nieuwe aanvraag zal dan ook aan die bepalingen moeten worden getoetst
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep slaagt niet. Het bestreden besluit blijft dus in stand.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 februari 2026.
griffier
rechter
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE: WET- EN REGELGEVING
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.
4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Beheersverordening “Hazerswoude-Dorp 2017”
Artikel 1
Op de onderhavige beheersverordening Hazerswoude-Dorp 2017 zijn met inachtneming van het bepaalde in deze beheersverordening van overeenkomstige toepassing:
a. de voorschriften (thans: regels) en plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan Hazerswoude-Dorp, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Rijnwoude op 8 maart 2007 en opgenomen in bijlagen 1, 2, 3, 4 en 5;
b. de voorschriften (thans: regels) en plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan 1e partiële herziening Hazerswoude-Dorp, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Rijnwoude op 22 april 2010 en opgenomen in bijlagen 6, 7, 8, 9 en 10.
c. de voorschriften (thans: regels) en plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan Zuidhof, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Rijnwoude op 27 maart 2003 en opgenomen in bijlagen 11 en 12;
d. alsmede de verleende vrijstellingen, ontheffingen, afwijkingen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Hazerswoude-Dorp”
Artikel 1.68
woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Artikel 7.1
De op de plankaart voor “gemengd” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…)
f. wonen, met dien verstande dat in geval van wonen in het gehele pand de voorschriften gelden zoals vastgesteld voor de bestemming “wonen” in artikel 14;
(…).
Artikel 14.1
De op de plankaart voor “wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
( a) het wonen;
(…).
Artikel 14.4.1
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de aanduidingen op de plankaart, alsmede de volgende bepalingen:
(…)
( d) per bouwperceel mag er één woning aanwezig zijn, met dien verstande dat dit niet van toepassing is op gestapelde woningen.
Artikel 14.6.2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ten behoeve van vrijstaande woningen vrijstelling te verlenen van het bepaalde in 14.4.1, sub d, teneinde het hoofdgebouw in meerdere wooneenheden te splitsen, met dien verstande dat:
a. het hoofdgebouw uit één bouwmassa blijft bestaan;
b. het hoofdgebouw gesplitst kan worden in maximaal twee volwaardige woningen;
c. de splitsing niet gepaard gaat met een vergroting van het grondoppervlak of uitbreiding van de hoofdmassa;
d. de te realiseren woning(-en) dienen te passen c.q. zijn afgestemd op zowel het gemeentelijke woningbouwprogramma als op het provinciale woning bouwprogramma;
e. parkeren conform de gemeentelijke parkeernota geschiedt.
Erfgoedverordening Alphen aan den Rijn 2021
Artikel 1
In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
1. Monument:
a. Een gemeentelijk (archeologisch) monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister of
b. een cultuurhistorische waardevolle bouwwerk die in het bestemmingsplan en/of beheersverordening Cultuurhistorie is bestemd tot ‘Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken - Monumentaal';
(…).
Artikel 3
1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
(…)
Artikel 15
1. Als monumentaal bouwwerk wordt aangemerkt een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk als bedoeld in artikel 1, onder 1, sub b van deze verordening, met dien verstande dat alleen het exterieur wordt aangemerkt.
a De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - Bouwwerken - Monumentaal' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behouden, versterken en beschermen van de specifieke waarden van de cultuurhistorische waardevolle bouwwerken met een zeer hoge cultuurhistorische waardering zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart,
b waaronder begrepen:
1. het karakteristieke bouwtype;
2 de bouwstijl, verschijningsvorm, gevelindeling of typerende architectuur van het bouwwerk;
3 de karakteristieke hoofdvorm en massa-opbouw van het bouwwerk;
4 de bijdrage van het bouwwerk aan het omringende cultuurlandschap;
5 de aanwezigheid van authentieke constructies, technieken, details, materialen of kleuren van het bouwwerk;
6 de herkenbaarheid van de oorspronkelijke functionaliteit;
7 de beeldbepalende waarde;
8 de directe omgeving van het bouwwerk;
9 de bijdrage van het bouwwerk aan de ensemblewaarde.
C waarbij geldt dat deze cultuurhistorische waardevolle bouwwerken de status hebben van gemeentelijk monument overeenkomstig het bepaalde in de gemeentelijke Erfgoedverordening, voor zover niet reeds aangewezen als Rijksmonument of gemeentelijk monument ten tijde van inwerkingtreding van de beheersverordening,
met inachtneming van artikel 2.4 Specifieke gebruiksregels en het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 van de planregels.
2.2
Algemene bouwregels
Op de in artikel 2.1 bedoelde gronden mag slechts worden gebouwd, indien wordt voldaan aan artikel 2.3.1 of 2.3.2 en aanvullend artikel 2.3.3.
2.3
Specifieke bouwregels
2.3.1
Bouwen met behoud van cultuurhistorische waarden
Het bevoegd gezag kan overgaan tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk ten behoeve van de primaire bestemming(en) als bedoeld in artikel 7.1, mits:
a de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart, behouden blijven en door de bouwactiviteiten dan wel door de daarvan directe of indirecte te verwachten gevolgen de cultuurhistorische waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de cultuurhistorische waarden niet wezenlijk worden verkleind en
b aanvrager met documentatie het bedoelde onder a gemotiveerd aantoont.
2.3.2
Bouwen met verstoren of vernietigen cultuurhistorische waarden, uitsluitend bij zwaarwegende belangen
Het bevoegd gezag kan uitsluitend overgaan tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk ten behoeve van de primaire bestemming(en) als bedoeld in artikel 7.1, waarvan aangenomen kan worden dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord dan wel vernietigd, mits:
a aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont dat bijzonder zwaarwegende belangen aanwezig zijn die rechtvaardigen dat de cultuurhistorische waarden worden verstoord dan wel vernietigd;
b aanvrager met documentatie gemotiveerd aantoont hoe vanuit de cultuurhistorische waarden nieuwe ontwikkelingen worden gerealiseerd, passend binnen de karakteristiek als gebleken uit de cultuurhistorische waardenkaart;
c voor bijzondere materiële relicten een duurzaam toekomstperspectief ex situ wordt gewaarborgd.
2.3.3
Aanvullende bepalingen
Aanvraag om omgevingsvergunning en de beoordeling daarvan
a In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 kan het bevoegd gezag aanvrager verzoeken tot het indienen van een bouwhistorisch onderzoek of cultuurhistorisch onderzoek, indien onduidelijkheid bestaat over de cultuurhistorische waarden van een bepaald onderdeel in relatie tot de ontwikkeling.
b In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning en de beoordeling daarvan de volgende uitgangspunten in acht genomen:
1. behoud, onderhoud en versterken gaan vóór vernieuwen en ontwikkelen;
2 vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de bouwhistorie en/of cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de cultuurhistorische waardenkaart.
c In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 wint het bevoegd gezag hiertoe advies in door een door hen aan te wijzen ter zake deskundige inzake cultuurhistorie.
d In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 houdt het bevoegd gezag bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning rekening met het gebruik van het cultuurhistorisch waardevol object waarop de aanvraag betrekking heeft.
Verlenen van de omgevingsvergunning
e In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 wordt bij het verlenen van de omgevingsvergunning in de belangenafweging aangegeven waarom:
bijgedragen wordt aan de cultuurhistorische waarden dan wel dat
het verantwoord is de cultuurhistorische waarden te verstoren of te vernietigen, waarbij aanvullend wordt gemotiveerd hoe aanvrager vanuit de cultuurhistorische waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die bijdragen aan het behoud of ontwikkeling van de specifieke cultuurhistorische waarden;
f In aanvulling op artikel 2.3.1 of 2.3.2 kunnen voorschriften met het oog op de cultuurhistorische waarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden.