Eiser kreeg op 16 januari 2026 een besluit tot toegangsweigering en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Schengengrenscode. De toegangsweigering werd gegeven terwijl eiser nog rechtmatig verblijf had vanwege een lopende asielprocedure, die hij pas tijdens het gehoor introk. De rechtbank oordeelt dat de toegangsweigering prematuur en daarmee onrechtmatig was, omdat de intrekking van de asielaanvraag niet officieel en formeel was voorafgaand aan het besluit.
Verweerder stelde dat de intrekking al mondeling was medegedeeld en dat een belangenafweging de maatregel rechtvaardigde, maar de rechtbank verwierp dit omdat een gemachtigde niet zelfstandig een asielaanvraag kan intrekken en de formele procedure niet was gevolgd. Hierdoor was ook de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig opgelegd.
De rechtbank vernietigde beide besluiten, beval de onmiddellijke opheffing van de grensdetentie en kende eiser een schadevergoeding toe van €4.320,- voor 36 dagen onrechtmatige detentie. Tevens werden de proceskosten van eiser aan verweerder opgelegd. Tegen het besluit over de grensdetentie kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld, tegen de toegangsweigering binnen vier weken.