ECLI:NL:RBDHA:2026:3577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 5228
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 WfsvArt. 38a WfsvArt. 117a WfsvArt. 117b WfsvArt. 118 Wfsv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Correcte vaststelling gedifferentieerde premie Werkhervattingskas zonder Wsw-uitkeringslasten

Eiseres, Gemeente Zoetermeer, voerde de Wet sociale Werkvoorzieningen uit en nam Wsw’ers in dienst na een reorganisatie in 2020. Verweerder stelde voor 2021 een gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) vast van 1,19%, waarbij ook de uitkeringslasten van Wsw’ers werden meegenomen. Eiseres betwistte dit en stelde dat deze lasten niet in de premieberekening thuishoren.

De rechtbank oordeelde dat de wet- en regelgeving, met name artikel 38a van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en de bijbehorende besluiten, niet de bedoeling hebben dat Wsw-uitkeringslasten doorwerken in de premie van artikel 38 Wfsv Pro. De uitkeringslasten van Wsw’ers mogen daarom niet worden meegenomen bij de berekening van de opslag/korting van de premie voor reguliere werknemers.

De rechtbank baseerde zich op de systematiek van de wetgever, het doel van premiedifferentiatie en de specifieke bepalingen in het Besluit Wfsv. De gedifferentieerde premie Whk voor 2021 moet daarom worden vastgesteld op 0,92% in plaats van 1,19%. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor 2021 wordt vastgesteld op 0,92% zonder de uitkeringslasten van Wsw’ers mee te rekenen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/5228

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

Gemeente Zoetermeer, gevestigd te Zoetermeer, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een beschikking Loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas (Whk) voor het jaar 2021 gegeven (de beschikking).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 april 2024 het bezwaar van eiseres tegen de beschikking ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 11 april 2025 is de zaak ter zitting behandeld door de enkelvoudige kamer van de rechtbank.
Namens eiseres zijn mr. M.R. Hoendermis en C.A.P. Pouwer verschenen. Namens verweerder zijn [naam 1] , mr. [naam 2] , drs. [naam 3] en mr. [naam 4] verschenen.
Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Bij bericht van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
Verweerder heeft vóór de zitting van de meervoudige kamer nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2025.
Namens eiseres zijn mr. M.R. Hoendermis en C.A.P. Pouwer verschenen. Namens verweerder zijn [naam 1] , drs. [naam 3] , mr. [naam 4] en mr. [naam 5] verschenen.
Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is een gemeente. Zij is voor de werknemersverzekeringen als werkgever ingedeeld in sector 064 (Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen). Voor toepassing van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is zij een grote werkgever.
2. Eiseres is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet sociale Werkvoorzieningen (Wsw) in haar regio.
Tot 2021 gaf eiseres uitvoering aan die verantwoordelijkheid in het verband van een Gemeenschappelijke Regeling, met twee andere gemeenten, de Gemeenschappelijke Regeling Dienst Sociale Werken (DSW). De werknemers op grond van de Wsw (Wsw’ers) waren in dienst van DSW.
Eind 2020 vond een reorganisatie plaats. Daarbij is DSW ontmanteld en zijn de Wsw’ers in dienst gekomen van de drie gemeentes, waaronder eiseres. Voorafgaand aan de reorganisatie had eiseres geen Wsw’ers in dienst.
3. Voor het jaar 2020 was de gedifferentieerde premie Whk van eiseres vastgesteld op 0,93%, bestaande uit een WGA-component van 1,13% en een ZW-component van 0,26%.
4. Voor het onderhavige jaar, 2021, heeft verweerder de gedifferentieerde premie Whk van eiseres vastgesteld op 1,19%. Die percentage is opgebouwd uit een WGA-component van 0,86% en een ZW-component van 0,33%. De WGA-component van de premie is het gemiddelde premiepercentage van 0,78% met een opslag van 0,10%.
5. De premie van 1,19% is van toepassing op het premieloon van de reguliere werknemers van eiseres, dat wil zeggen de niet-Wsw’ers. Over het premieloon van de Wsw’ers is vervangende premie verschuldigd van 1,11%, opgebouwd uit de WGA-component van 0,78% en de ZW-component van 0,33%.
6. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank door het UWV laten berekenen wat de gedifferentieerde premie Whk van eiseres voor het onderhavige jaar is als niet de uitkeringslasten van Wsw’ers in aanmerking worden genomen. De gedifferentieerde premie is dan 0,92%. De WGA-component is 0,61% en de ZW-component 0,31%. De WGA-component is opgebouwd uit de gemiddelde premie van 0,78% en een korting van 0,17%.
Geschil
7. In geschil is of het gedifferentieerde premiepercentage Whk voor het jaar 2021 naar het juiste percentage is vastgesteld.
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de premie naar een te hoog percentage is vastgesteld, doordat verweerder ten onrechte bij de berekening daarvan ook de uitkeringslasten van Wsw’ers in aanmerking heeft genomen.
9. Het standpunt van verweerder is dat hij de uitkeringslasten van Wsw’ers terecht bij de bepaling van het premiepercentage in aanmerking heeft genomen en dat dit percentage op het juiste bedrag is vastgesteld.
Beoordeling van het geschil
10. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage hierbij, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. De voor het geschil belangrijkste bepalingen laten zich samenvatten als volgt.
  • Artikel 38 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) regelt de gedifferentieerde premie Whk. De premie bestaat uit twee componenten: de gemiddelde premie enerzijds en de opslag dan wel korting anderzijds. De gemiddelde premie is een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage (artikel 38, tweede lid, Wfsv). De opslag/korting wordt op verschillende manieren vastgesteld voor kleine, middelgrote en grote werkgevers (artikel 38, derde lid, Wfsv).
  • Op grond van artikel 38a van de Wfsv is over sociale-verzekeringsuitkeringen, over toeslagen en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wsw als gedifferentieerde premie een vervangende premie verschuldigd.
  • De manier waarop de gemiddelde premie en de opslag/korting worden berekend, is krachtens delegatie geregeld in het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen (het Besluit).
  • De gemiddelde premie wordt op de voet van artikel 2.8 van het Besluit berekend door een aan het loon evenredige omslag van het totaal van de WGA- en ZW-uitkeringen die ten laste komen van de werkhervattingskas.
  • Op grond van artikel 2.9 van het Besluit is de vervangende premie van artikel 38a Wfsv gelijk aan de gemiddelde premie.
  • Voor wat betreft de opslag/korting hangt de berekeningswijze ervan af of de werkgever klein, middelgroot of groot is (artikelen 2.6, 2.11 en 2.13 van het Besluit). Voor kleine werkgevers geldt per sector een uniforme opslag/korting die wordt bepaald op basis van de uitkeringslasten binnen de desbetreffende sector. Voor grote werkgevers is de opslag/korting een functie van de aan de individuele werkgever toe te rekenen WGA- en ZW-lasten, dat wil zeggen de uitkeringen waarop recht is ontstaan ten tijde van het dienstverband met de desbetreffende werkgever. Voor middelgrote ondernemingen is de opslag/korting een functie van de sectorale opslag/korting en de individueel bepaalde opslag/korting.
11. Over het loon van reguliere werknemers is derhalve een premie verschuldigd die in hoogte afhankelijk van toerekenbare uitkeringslasten is, terwijl over door het UWV betaalde uitkeringen en over het loon van Wsw’ers een uniforme premie wordt geheven. De kern van het geschil is of bij de berekening van de gedifferentieerde premie die over het loon van reguliere werknemers verschuldigd is, ook de uitkeringslasten van Wsw’ers in aanmerking moeten worden genomen. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
12. Zoals volgt uit artikel 38a van de Wfsv heeft de wetgever niet gewild dat sectorale of aan individuele werkgevers toerekenbare uitkeringslasten in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de over sociale-verzekeringsuitkeringen en het loon van Wsw’ers verschuldigde premie.
13. Waarom de wetgever dat niet wilde, is bij de totstandkoming van artikel 38a van de Wfsv niet toegelicht. [1]
Wel kan voor de overwegingen hiertoe van de wetgever aanwijzing worden gevonden in het doel dat hij met de premiedifferentiatie voor ogen had. Hij heeft daarmee willen voorzien in een financiële prikkel voor sectoren en individuele werkgevers tot het nemen van maatregelen om het risico op arbeidsongeschiktheid terug te dringen en zich voor re-integratie in te spannen. [2] Een dergelijke prikkel is bij het UWV niet zinvol, aangezien het geen invloed heeft op het arbeidsongeschiktheids- respectievelijk ziekterisico van degenen die de door haar verstrekte uitkeringen ontvangen. Dat geldt tot op grote hoogte ook voor werkgevers van Wsw’ers. Deze groep werknemers wordt immers gevormd door personen die ten gevolge van lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen niet in het reguliere arbeidsproces inzetbaar zijn en die daarmee verband houdende risico’s van uitval hebben waar de werkgever geen of maar beperkt invloed op heeft.
Aan het doel dat met premiedifferentiatie wordt nagestreefd kan aldus worden ontleend dat uitkeringsgerechtigden en Wsw’ers buiten het systeem daarvan zijn geplaatst om de reden dat het UWV en de werkgevers van Wsw’ers geen, althans niet in betekenisvolle mate invloed hebben op het uitvalrisico.
14. Als de Wsw-uitkeringslasten worden betrokken in het bepalen van de opslag/korting in het premiepercentage dat van toepassing is over het loon van reguliere werknemers, dan wordt toch – maar indirect – een premieopslag ter zake van de uitval van Wsw’ers aan hun (oud-)werkgevers in rekening gebracht. Dat gebeurt dan bovendien in een mate die afhangt van een grootheid die met het doel van de premiedifferentiatie niet van doen heeft; te weten de verhouding tussen het aantal reguliere werknemers en Wsw’ers. Dit is als volgt in te zien.
In het hypothetische geval dat een werkgever alleen Wsw’ers in dienst heeft, zijn de Wsw-uitkeringslasten niet van invloed: dan is immers alleen vervangende premie verschuldigd. Zijn er daarnaast een paar reguliere werknemers in dienst, dan werken de Wsw-uitkeringslasten zeer sterk door in de opslag/korting van artikel 38 Wfsv Pro. Artikel 6, vierde lid, van het Besluit maximeert evenwel de hoogte van de opslag. Het effect op de totale premiesom is daardoor verhoudingsgewijs beperkt. Anders wordt het naar mate het relatieve aantal reguliere werknemers stijgt: het mitigerende effect van de maximering van artikel 6, vierde lid, van het Besluit daalt dan tot nihil.
De cijfers van het onderhavige geval illustreren hoezeer de uitkeringslasten van oud-Wsw’ers bij een relatief groot aantal reguliere werknemers van invloed zijn op de totale premiesom: naar eiseres onweersproken heeft gesteld, is de premiesom over het loon van haar reguliere werknemers door de reorganisatie gestegen met ongeveer € 200.000 per jaar.
15. Een dergelijke doorwerking van Wsw-uitkeringslasten deed zich tot medio 2018 – zie navolgend - effectief niet voor.
De Wet sociale werkvoorziening van 1969 [3] legde gemeenten op om ingezetenen met een Wsw-indicatie een arbeidsovereenkomst aan te bieden. Deze verplichting is met de Participatiewet [4] per 1 januari 2015 vervallen. Daarmee is alleen een einde gemaakt aan de instroom; bestaande dienstbetrekkingen zijn blijven doorlopen.
Om aan hun verplichting uit hoofde van de Wet sociale werkvoorziening te voldoen, werden door de gemeentes sociale-werkvoorzieningsbedrijven opgericht. Veelal deden zij dat in het verband van een Gemeenschappelijke Regeling. Deze is dan de werkgever van de Wsw’ers; voor zover ook reguliere werknemers in dienst zijn, is het aantal verhoudingsgewijs gering zodat de doorwerking van Wsw-uitkeringslasten op de totale premiesom verhoudingsgewijs (zeer) beperkt is.
Was de gemeente zelf de werkgever, dan werd hetzelfde bereikt door gesplitste sectorindeling. Die mogelijkheid is echter per 29 juni 2018 voor nieuwe aanvragen vervallen, en per 1 januari 2020 ook voor bestaande gevallen. [5] Dat was niet ingegeven door een reden die met de thans voorliggende materie van doen heeft, maar door overwegingen van uitvoerbaarheid. [6]
16. Verweerder betoogt dat in het systematiek van de wet besloten ligt dat Wsw-uitkeringslasten in aanmerking komen bij de vaststelling van de opslag/korting van artikel 38 Wfsv Pro. Hij heeft daartoe naar voren gebracht:
“In de artikelen 117a en 117b van de Wfsv is geregeld wat de middelen en uitgaven van de Werkhervattingskas zijn. Artikel 117a bepaalt dat de gedifferentieerde premie Whk van artikel 38 Wfsv Pro en de vervangende premie van artikel 38a Wfsv ten gunste komen van de werkhervattingskas. Artikel 117b bepaalt dat (onder andere) door UWV betaalde WGA-uitkeringen ten laste van de Werkhervattingskas komen. In artikel 117b Wfsv, derde lid, onder a t/m l, zijn 12 uitzonderingen genoemd van arbeidsongeschiktheidslasten die niet ten laste komen van de Werkhervattingskas en daarmee niet worden meegenomen bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk. Onder deze uitzonderingen zijn niet de uitkeringen begrepen die worden betaald aan ex-werknemers die loon uit dienstbetrekking op grond van de Wsw ontvingen. Deze uitkeringslasten moeten volgens de wettelijke systematiek dan ook niet worden uitgezonderd bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk.”
Krachtens artikel 117a, aanhef en onder a, Wfsv komen de premies van de artikelen 38 en 38a Wfsv ten gunste van de werkhervattingskas. Verder wordt de werkhervattingskas op voet van datzelfde artikel onder c jo. artikel 118 Wfsv Pro gevoed door overheveling van gelden uit het arbeidsongeschiktheidsfonds.
Het gros van de WGA- en ZW-uitkeringen komt op grond van artikel 117b, eerste lid, onderdelen a en b, Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas. Een 11-tal specifieke WGA- en ZW-uitkeringen, genoemd in het derde lid, wordt rechtstreeks uit het arbeidsongeschiktheidsfonds bekostigd.
De uitkeringen van het derde lid van artikel 117b Wfsv worden inderdaad, zoals verweerder stelt, niet meegenomen bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Whk (dus ook niet bij de berekening van de gemiddelde premie). De specifieke uitkeringen van het derde lid van artikel 117b Wfsv aan Wsw’ers [7] worden dus niet meegenomen bij de bepaling van de gemiddelde premie en de opslag/korting. Verreweg de meeste WGA- en ZW-uitkeringen aan Wsw’ers komen (wel) ten laste van de kas en worden dan ook (wel) in aanmerking genomen bij de bepaling van de premie die ten gunste van de kas komt. De vraag is nu: bij welke van de twee premies die in artikel 117a Wfsv worden genoemd? Op de voet van die bepaling komen immers zowel de premie van artikel 38 Wfsv Pro als die van artikel 38a Wfsv ten gunste van de kas. De voorliggende vraag is of uitkeringen aan Wsw’ers alleen moeten worden meegenomen bij het bepalen van de gemiddelde premie (die van artikel 38aWfsv), dan wel tevens bij de berekening van de opslag (die samen met de gemiddelde premie de premie van artikel 38 vormt Pro). Anders dan verweerder betoogt, is het antwoord op die vraag niet te vinden in het gegeven dat het gros van de Wsw-lasten niet onder de uitzonderingen van het derde lid van artikel 117b Wfsv zijn opgenomen: dat is nu juist, waardoor de vraag wordt opgeroepen. Het betoog van verweerder gaat dan ook niet op.
17. Voorts wijst verweerder er op dat het Besluit bepaalt dat de Wsw-uitkeringslasten voor de bepaling van de premie van artikel 38 Wfsv Pro in aanmerking moeten worden genomen.
Artikel 2.5, eerste lid, onder g en h, van het Besluit omschrijft de WGA-lasten, respectievelijk WGA-totaallasten als:
“… de lasten van uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas ...”,
en artikel 2.5, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit omschrijft ZW-lasten als:
“…lasten van ziekengeld als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas …”.
De aldus gedefinieerde WGA-(totaal)lasten en ZW-lasten worden vervolgens in de artikelen 2.8, 2.11 en 2.13 van het Besluit betrokken in de berekening van het gemiddelde premiepercentage en de opslag/korting. Naar de letter genomen worden de Wsw-uitkeringslasten die via artikel 117b, eerste lid, Wfsv ten laste van de werkhervattingskas dus inderdaad, via de definities van artikel 2.5 Besluit, meegenomen bij de bepaling van de opslag/korting. De rechtbank heeft evenwel geen aanknopingspunt ervoor gevonden dat de besluitgever deze uitwerking onder ogen heeft gehad. Dat vroeg ten tijde van de totstandkoming van het Besluit [8] ook niet om aandacht, omdat die uitwerking op dat moment nagenoeg zonder effect was (zie onder 17).
18. Op grond van wat hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als de bedoeling van de wet- en besluitgever worden verondersteld dat de uitkeringslasten van de artikel 38a-categorie doorwerken in de premie van artikel 38 Wfsv Pro. De artikelen 2.11 en 2.13 van het Besluit moeten daarom naar haar oordeel zo worden uitgelegd dat bij de toepassing ervan de WGA-lasten, WGA-totaallasten en ZW-lasten zonder de Wsw-lasten in aanmerking worden genomen.
19. Het gelijk is daarmee aan eiseres, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat dan de gedifferentieerde premie Whk van eiseres voor het onderhavige jaar op 0,92% moet worden vastgesteld.
Proceskosten
20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, bestaand uit reiskosten voor een bedrag van € 14,32 (€ 3,58 x 2 per zitting op basis van retour reiskosten openbaar vervoer 2e klas, totaal derhalve € 14,32).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de gedifferentieerde premie Whk wordt vastgesteld op 0,92%;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 14,32;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. J.J. Arts, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

BIJLAGE

Wet financiering sociale verzekeringen

Artikel 38 Wfsv Pro

Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas

1. In dit artikel wordt onder
categorie werkgeversverstaan:
werkgevers ten laste van wie, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, loon waarover de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, is gekomen dat gelijk is aan, meer of minder bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen omvang van het gemiddelde van dit loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van dit hoofdstuk, per werknemer in dat kalenderjaar.
2. Het UWV stelt voor de berekening van de gedifferentieerde premie een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage vast.
3. Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het tweede lid bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de opslag of korting naar categorie werkgevers voor de werkgever afzonderlijk of per sector als bedoeld in artikel 95, wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor werkgevers per sector of sectoronderdelen kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever voor wie de korting of opslag afzonderlijk wordt vastgesteld, stelt de inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Ten aanzien van werkgevers voor wie de opslag of korting per sector wordt vastgesteld kan in bijzondere gevallen bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat de opslag of korting op een door Onze Minister te bepalen wijze wordt vastgesteld aan de hand van het gemiddelde van de opslag of korting van een aantal sectoren.
4. De inspecteur stelt in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.
5. Indien de werkgever een overheidswerkgever is op wie artikel 7:662 van Pro het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, en deze geheel of gedeeltelijk is overgegaan naar een andere werkgever, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, stelt de inspecteur de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw vast bij voor bezwaar vatbare beschikking voor:
a. de rechtsopvolger van die overheidswerkgever dan wel de verkrijger van een deel daarvan, en
b. voor de overheidswerkgever die een deel van de organisatie overdraagt.
Het bepaalde bij of krachtens het zevende lid, inzake de in het derde, vierde en vijfde lid bedoelde opslag en korting is van overeenkomstige toepassing.
6. De inspecteur stelt, in geval aan een werkgever toestemming is verleend om zelf het risico te dragen van betaling van ziekengeld of WGA-uitkering en overlijdensuitkeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, alsmede in geval het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, is geëindigd of wordt beëindigd, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast met ingang van de datum waarop het zelf dragen van het risico aanvangt dan wel is geëindigd of wordt beëindigd.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de wijze waarop het gemiddelde percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld, rekening houdend met de verschillende lasten voor de Werkhervattingskas;
b. de wijze waarop de in het derde en het vierde lid, bedoelde opslag en korting worden berekend;
c. de percentages die op grond van dit artikel ten hoogste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel mogen gelden en omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel gelden.
8. De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
9. Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.

Artikel 38a Wfsv

Vervanging gedifferentieerde premie

In afwijking van artikel 38 is Pro over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid, en 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg, de Werkloosheidswet, over een toeslag op grond van de Toeslagenwet en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening, als gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas een vervangende premie verschuldigd. Met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
Behalve voor degene die loon ontvangt uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt het eerste lid niet toegepast ingeval het UWV de uitkering, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van Pro de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 11 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in artikel 9, 10 of 12 van de Werkloosheidswet en de Ziektewet, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
Het eerste lid wordt eveneens niet toegepast ingeval een eigenrisicodrager de uitkering, bedoeld in artikel 63a Ziektewet, betaalt of de uitkering, bedoeld in artikel 82 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, betaalt, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die eigenrisicodrager.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de wijze waarop de vervangende premie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.

Artikel 117a Wfsv

Middelen Werkhervattingskas

Ten gunste van de Werkhervattingskas komen:
a. de gedifferentieerde premie op grond van de artikelen 38, tweede lid, en 38a, eerste lid;
b. de gelden die het UWV ontvangt met toepassing van de artikelen 76, 82, vierde en vijfde lid, 84, derde lid, en 99 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid;
c. de gelden die door toepassing van artikel 118 worden Pro overgeheveld uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Artikel 117b Wfsv

Uitgaven Werkhervattingskas

1. Ten laste van de Werkhervattingskas komen de door het UWV te betalen:
a. WGA-uitkeringen en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen gedurende de periode die op grond van artikel 83, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt op de dag waarop het recht van uitkering op grond van die wet is ontstaan te rekenen vanaf die dag, met dien verstande dat de WGA-staartlastuitkeringen en de uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen ten laste komen van het staartlastenvermogen;
b. ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c, en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van Pro de Ziektewet;
c. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a en b, door het UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van Pro de Zorgverzekeringswet;
d. uitvoeringskosten die betrekking hebben op de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
2 Indien een WGA uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een op grond van artikel 24 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen verlengd tijdvak waarin de verzekerde recht heeft op loon, wordt de duur van de verlenging van dat tijdvak in mindering gebracht op de periode, bedoeld in het eerste lid.
3 Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 72, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en op grond van het derde lid van dat artikel niet op een eigenrisicodrager wordt verhaald;
b. het een WGA uitkering betreft die op grond van artikel 84, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op een bank of verzekeraar als bedoeld in artikel 40;
c. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, e, f of g, van de Ziektewet of op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, dat aan een werknemer is toegekend direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, bestond, tenzij op grond van artikel 38a, negende lid, of artikel 38b, tweede lid, van de Ziektewet geen ziekengeld is of wordt toegekend;
d. het een WGA uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, wiens WGA uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende uitkering, danwel het op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekende recht op arbeidsondersteuning;
e. het een vervolguitkering als bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan hetgeen berekend op grond van het eerste en tweede lid van dat artikel;
f. het een loonaanvullingsuitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft, die door het UWV wordt betaald voorzover die uitkering meer bedraagt dan een bedrag overeenkomende met het bedrag van de vervolguitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van die wet waar de verzekerde, zonder toepassing van artikel 62, vijfde lid, van die wet, recht op zou hebben indien hij geen recht zou hebben gehad op de loonaanvullingsuitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van die wet, vermeerderd met de premies die op grond van enige wet daarover verschuldigd zouden zijn en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van Pro de Zorgverzekeringswet, en die daarop niet in mindering kunnen worden gebracht;
g. het uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft toegekend aan werknemers, die op de eerste dag van ongeschiktheid tot werken in dienstbetrekking stonden van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, voor de betaling van die uitkering de eigenrisicodrager op grond van artikel 63b, eerste lid, van de Ziektewet niet het risico draagt;
h. het uitkeringen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die op grond van artikel 133l, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet ten laste komen van de eigenrisicodragers, met dien verstande dat het eerste lid van toepassing is op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald deel van die uitkeringen;
i. het ziekengeld als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c, betreft dat op grond van artikel 63a, derde lid, van de Ziektewet door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a;
j. het een WGA-uitkering betreft, toegekend aan een werknemer, die naar de dienstbetrekking waaruit de WGA uitkering is ontstaan, is toegeleid door het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet en waarbij bij ziekte van die werknemer de mogelijkheid tot vergoeding als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van die wet, zoals dat luidde op 31 december 2015, van toepassing was of het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, dat aan die werknemer is toegekend direct aansluitend op een hiervoor bedoelde dienstbetrekking;
k. het ziekengeld betreft als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Ziektewet toegekend aan een werknemer direct aansluitend op een dienstbetrekking waarin recht op ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g, van de Ziektewet bestond;
l. het een WGA-uitkering als bedoeld in paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen betreft.
4 Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van de Werkhervattingskas niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas dan met toestemming van Onze Minister.
5 Ten laste van de Werkhervattingskas komen voorts:
a. …
b. de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 37a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zoals dat luidde op 31 december 2011, indien de uitkeringsgerechtigde, met wie de werkgever aan wie de loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas;
c. de kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 30a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel, recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas.
6 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 118 Wfsv Pro

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de Werkhervattingskas.
2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar het Rijk ten behoeve van de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, en de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Participatiewet.

Besluit Wet financiering sociale verzekeringen

Artikel 2.5 Besluit Wfsv

Algemene begrippen

1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a.
premieplichtig loon:het loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van hoofdstuk 3 van de Wfsv, waarnaar op grond van hoofdstuk 3 van de Wfsv premies worden geheven;
b.
kleine werkgever:een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
c.
middelgrote werkgever:een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat meer bedraagt dan 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar en dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
d.
grote werkgever:een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is gekomen dat meer bedraagt dan 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
e.
minimumpremie:de gedifferentieerde premie die een werkgever ten minste verschuldigd is;
f.
maximumpremie:de gedifferentieerde premie die een werkgever ten hoogste verschuldigd is;
g.
WGA-lasten:de lasten van uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas en uit een dienstbetrekking met een werkgever worden verstrekt of zijn toegekend aan werknemers, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht hadden op een uitkering op grond van de Ziektewet en de kosten, bedoeld in artikel 117b, vijfde lid, onderdeel c, van de Wfsv in verband met deze uitkeringen, met dien verstande dat de WGA-staartlastuitkeringen en de uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen buiten beschouwing worden gelaten;
h.
WGA-totaallasten:de lasten van uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas of het Arbeidsongeschiktheidsfonds of ten laste komen van een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, en uit een dienstbetrekking met een werkgever worden verstrekt of zijn toegekend aan werknemers, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht hadden op een uitkering op grond van de Ziektewet en de kosten, bedoeld in artikel 117b, vijfde lid, onderdeel c, van de Wfsv in verband met deze uitkeringen;
i.
ZW-lasten:lasten van ziekengeld als bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, voor zover deze uitkeringen ten laste komen van de Werkhervattingskas en de kosten, bedoeld in artikel 117b, vijfde lid, onderdeel c, van de Wfsv in verband met deze uitkeringen.
2. Het UWV stelt het gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, per werknemer vast.
3. Bij de vaststelling van premieplichtige loon als bedoeld in het eerste lid worden de via de werkgever betaalde WGA-uitkeringen en uitkeringen op grond van de Ziektewet, die op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komen buiten aanmerking gelaten.
4. Voor de vaststelling van sectorale premiecomponenten behoort de werkgever tot de sector, bedoeld in artikel 95 van Pro de Wfsv, in het voor die berekening relevante kalenderjaar, waarbij de werkgever is aangesloten op 1 januari van dat kalenderjaar.

Artikel 2.6 Besluit Wfsv

Vaststelling gedifferentieerde premie Werkhervattingskas

De gedifferentieerde premie die een werkgever verschuldigd is, is de som van twee afzonderlijk bekend te maken gedifferentieerde premiecomponenten, die worden berekend voor de WGA-lasten en de ZW-lasten.
Bij de vaststelling van de premie wordt een onderscheid gemaakt naar kleine, middelgrote en grote werkgevers.
De gedifferentieerde premie voor de kleine werkgevers is de som van de sectorale premiecomponenten op basis van de WGA-lasten en de ZW-lasten van uitkeringen die zijn toegekend aan werknemers die in dienstbetrekking stonden met werkgevers die behoren tot een sector als bedoeld in artikel 95 van Pro de Wfsv.
De gedifferentieerde premie voor grote werkgevers is de som van de individuele premiecomponenten, die voor de WGA-lasten en de ZW-lasten afzonderlijk worden berekend, op basis van een per soort last vast te stellen gemiddeld percentage vermeerderd of verminderd met een opslag of korting op grond van een individueel werkgeversrisicopercentage, waarop een correctie wordt toegepast.
Bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor de middelgrote werkgever wordt een gewogen gemiddelde toegepast van de sectorale en individuele premies volgens de formule:
waarbij:
- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het jaar twee kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;
- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer
- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;
- sectoraal %: de desbetreffende sectorale premie van de sector waartoe de werkgever behoort;
- individueel %: de desbetreffende individuele premie van de werkgever als bedoeld in het vierde lid.
6. Voor de op grond van het vierde lid berekende gedifferentieerde premie geldt per premiecomponent een minimumpremie, die een vierde van het gemiddelde percentage behorend bij de desbetreffende lasten bedraagt en een maximumpremie die vier maal dat gemiddelde percentage bedraagt.
7. Alle percentages in de sommen die leiden tot de vaststelling van de gedifferentieerde premie worden naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
8. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald, dat de maximumpremie voor werkgevers in bepaalde sectoren kan worden verhoogd indien de omvang van de WGA-lasten of de ZW-lasten daartoe aanleiding geeft.

Artikel 2.7 Besluit Wfsv

Gedifferentieerde premie eigenrisicodrager

Indien een werkgever eigenrisicodrager is als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv wordt de premiecomponent berekend op basis van de ZW-lasten op nul vastgesteld.
Indien een werkgever eigenrisicodrager is als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, wordt de premiecomponent berekend op basis van de WGA-lasten op nul vastgesteld.

Artikel 2.8 Besluit Wfsv

Gemiddelde percentages

Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv, voor de berekening van de premiecomponent WGA-lasten wordt vastgesteld door het totaalbedrag van de WGA-lasten in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, dat naar verwachting op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste komt van de Werkhervattingskas, verminderd met hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting ten gunste komt van de Werkhervattingkas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van het over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verwachte premieplichtige loon van de middelgrote en grote werkgevers en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, die naar verwachting aan middelgrote en grote werkgevers toe te rekenen zijn. Het gemiddelde percentage wordt vermeerderd of verminderd met een percentage ter compensatie van het naar verwachting over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld optredende verschil tussen enerzijds de premie-inkomsten die worden verkregen indien de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van Pro de Wfsv, wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage, zoals deze op grond van de eerste zin wordt vastgesteld, en anderzijds het totaalbedrag van de lasten dat naar verwachting in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komt, verminderd met de gelden die op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van die wet naar verwachting ten gunste van de Werkhervattingskas komen. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin worden niet verstaan de WGA-uitkeringen en overlijdensuitkeringen, bedoeld in artikel 117b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, waarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv.
Het verwachte premieplichtige loon van middelgrote werkgevers, de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, het totaalbedrag van de WGA-lasten en hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in mindering op de WGA-lasten wordt gebracht, bedoeld in het eerste lid, wordt per werkgever volgens de volgende berekening in aanmerking genomen voor de berekening van het gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid:
(loonsomwgr – loonsomlaag) / (loonsomhoog – loonsomlaag)\
waarbij:
- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;
- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;
- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.
3. Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv, voor de berekening van de premiecomponent ZW- lasten wordt vastgesteld door het totaalbedrag van de ZW-lasten in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, naar verwachting op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste komt van de Werkhervattingskas verminderd met hetgeen op grond van artikel 117a, onderdeel c, van de Wfsv in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting ten gunste komt van de Werkhervattingkas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van het over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verwachte premieplichtige loon van de middelgrote en grote werkgevers en de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, die aan die werkgevers toe te rekenen zijn. Het gemiddelde percentage wordt vermeerderd of verminderd met een percentage ter compensatie van het naar verwachting over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld optredende verschil tussen enerzijds de premie-inkomsten die worden verkregen indien de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 van Pro de Wfsv, wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage, zoals deze op grond van de eerste zin worden vastgesteld, en anderzijds het totaalbedrag van de lasten dat naar verwachting in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld op grond van artikel 117b van de Wfsv ten laste van de Werkhervattingskas komt, verminderd met de gelden die op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van die wet naar verwachting ten gunste van de Werkhervattingskas komen. Onder uitkeringen als bedoeld in de eerste zin worden niet verstaan de uitkeringen en de overlijdensuitkeringen op grond van de Ziektewetwaarvan het risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv.
4. Het verwachte premieplichtige loon van middelgrote werkgevers, de naar verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel 38a, eerste lid, van de Wfsv, het totaalbedrag van de ZW-lasten en hetgeen op grond van artikel 117a, onderdelen b en c, van de Wfsv in mindering op de ZW-lasten wordt gebracht, bedoeld in het derde lid, wordt per werkgever volgens de volgende berekening in aanmerking genomen voor de berekening van het gemiddelde percentage, bedoeld in het derde lid:
(loonsomwgr – loonsomlaag) / (loonsomhoog – loonsomlaag)
waarbij:
- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;
- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;
- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.

Artikel 2.9 Besluit Wfsv

Vervangende premie

De gedifferentieerde premie over de uitkeringen, bedoeld in artikel 38a van de Wfsv, en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt bepaald op de som van de percentages berekend met toepassing van artikel 2.8.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste lid.

Artikel 2.10 Besluit Wfsv

Sectorale premies

De sectorale premiecomponenten worden vastgesteld met toepassing van artikel 2.8 waarbij voor de WGA-lasten en ZW-lasten wordt uitgegaan van de desbetreffende uitkeringen, die worden toegekend aan werknemers van werkgevers in die sector, bedoeld in artikel 95 van Pro de Wfsv, en van het totaalbedrag van het premieplichtige loon van alle werkgevers, die tot die sector behoren. Voor de bepaling van de premiecomponent WGA-lasten wordt daarbij buiten aanmerking gelaten het premieplichtige loon van de werkgevers, die eigenrisicodrager zijn als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, en van de grote werkgevers en de desbetreffende uitkeringen van de werknemers van deze werkgevers. Voor de bepaling van de premiecomponent ZW-lasten wordt daarbij buiten aanmerking gelaten het premieplichtig loon van de werkgevers, die eigenrisicodrager zijn als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv, en van de grote werkgevers en de desbetreffende uitkeringen toegekend aan de werknemers van deze werkgevers.
Voor de bepaling van de premiecomponenten, bedoeld in het eerste lid, wordt het premieplichtig loon van de middelgrote werkgevers en de desbetreffende uitkeringen toegekend aan de werknemers van deze werkgevers per middelgrote werkgever volgens de volgende berekening buiten aanmerking gehouden:
(loonsomwgr – loonsomlaag) / (loonsomhoog – loonsomlaag)
waarbij:
- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;
- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;
- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.
3. Het UWV stelt het sectorale premiepercentage met toepassing van het eerste en tweede lid vast.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de bepaling van de sectoren voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid.

Artikel 2.11 Besluit Wfsv

Opslag of korting WGA-lasten

De opslag of korting WGA-lasten is gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het tweede lid, verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid, gerelateerd aan deze lasten.
Het individuele werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door de uitkeringen van de aan de werkgever toe te rekenen WGA-totaallasten die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.
Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door het totaalbedrag aan uitkeringen van de aan middelgrote en grote werkgevers toe te rekenen WGA-lasten, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon van die werkgevers, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend in het tweede kalenderjaar voor het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.
Voor de berekening, bedoeld in het derde lid, wordt per middelgrote werkgever de toe te rekenen lasten en het totale premieplichtige loon vermenigvuldigd met de uitkomst van:
(loonsomwgr – loonsomlaag) / (loonsomhoog – loonsomlaag)
waarbij:
- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;
- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;
- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.
5. Indien een WGA-uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt de duur van die uitkering in mindering gebracht op de periode dat de WGA-uitkering wordt toegerekend als bedoeld in het tweede lid.
6. De WGA-uitkeringen, bedoeld in dit artikel, betreffen de WGA-uitkeringen die zijn toegekend:
a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van Pro de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden dan wel arbeidsongeschikt zijn geworden nadat de dienstbetrekking met de werkgever is beëindigd en artikel 46 van Pro de Ziektewet van toepassing is en ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van Pro Wet WIA, hebben doorgemaakt;
b. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel 55 van Pro de Wet WIA later dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van die wet van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet, is ontstaan;
c. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel 57 van Pro de Wet WIA is herleefd.
7. Indien de werknemer bij het intreden van de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, bedoeld in artikel 5 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid de WGA-uitkering naar rato van de loonsom toegerekend aan die werkgevers. De WGA-uitkering wordt niet toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer met behoud van hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.
8. De op grond van dit artikel berekende opslagen of kortingen worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door driekwart van het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid. Indien de berekening op grond van de vorige zin leidt tot een uitkomst groter dan twee wordt deze breuk vastgesteld op twee.

Artikel 2.13 Besluit Wfsv

Opslag of korting ZW-lasten

De opslag of korting ZW-lasten is gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het tweede lid, verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid, gerelateerd aan deze lasten.
Het individuele werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door de uitkeringen van de aan de werkgever toe te rekenen ZW-lasten die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.
Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage wordt verkregen door het totaalbedrag aan uitkeringen van de aan middelgrote en grote werkgevers toe te rekenen ZW-lasten, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon van die werkgevers, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend in het tweede kalenderjaar voor het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.
Voor de berekening, bedoeld in het derde lid, wordt per middelgrote werkgever de toe te rekenen lasten en het totale premieplichtige loon vermenigvuldigd met de uitkomst van:
(loonsomwgr – loonsomlaag) / (loonsomhoog – loonsomlaag)
waarbij:
- loonsomwgr staat voor: het totaal van het premieplichtige loon van de middelgrote werkgever in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waar de premie betrekking op heeft;
- loonsomlaag staat voor: 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer;
- loonsomhoog staat voor: 100 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.
5. De uitkeringen, bedoeld in dit artikel, betreffen de uitkeringen op grond van de Ziektewet die zijn toegekend:
a. aan de werknemers die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als bedoeld in artikel 19 van Pro de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking stonden dan wel arbeidsongeschikt zijn geworden nadat de dienstbetrekking met de werkgever is beëindigd en artikel 46 van Pro de Ziektewet van toepassing is;
b. aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, van wie het recht op een uitkering op grond van artikelen 19a, 19b of 19c van de Ziektewet is geëindigd dan wel niet is ingegaan, die aanspraak heeft op heropening dan wel recht heeft op ziekengeld.
6. De op grond van dit artikel berekende opslagen of kortingen worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller wordt gevormd door driekwart van het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, en de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het derde lid. Indien de berekening op grond van de vorige zin leidt tot een uitkomst groter dan twee wordt deze breuk vastgesteld op twee.

Artikel 2.14 Besluit Wfsv

Premieplichtig loon uitkeringsinstellingen

Bij de bepaling van het gemiddelde premieplichtig loon, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, en artikel 2.13, tweede lid, blijft buiten aanmerking:
1° loon uit vroegere dienstbetrekking indien de werkgever als inhoudingsplichtige in meer dan bijkomstige mate loon uit vroegere dienstbetrekking verstrekt;
2° loon ter zake waarvan de werkgever uitsluitend ingevolge artikel, 6, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 2.15 Besluit Wfsv

Opslag en korting bij overgang van onderneming

1. In geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement:
a. worden bij de toepassing van de artikelen 2.11 en 2.13 de WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 2.11, tweede en derde lid, en de ZW-uitkeringen, bedoeld in artikel 2.13, tweede en derde lid, die zijn of worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen dan wel arbeidsongeschikt is geworden nadat de dienstbetrekking met de werkgever is beëindigd en artikel 46 van Pro Ziektewet van toepassing is, toegerekend aan de werkgever die de onderneming verkrijgt;
b. wordt bij de toepassing van de artikelen 2.11 en 2.13 het ten laste van de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, gekomen premieplichtig loon in enig kalenderjaar telkens opgeteld bij het premieplichtig loon van de werkgever die de onderneming verkrijgt in dat kalenderjaar, voordat het gemiddelde premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt berekend.
2. Indien slechts een deel van de onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van het deel van het totaalbedrag van premieplichtig loon in het overgegane deel van de onderneming van het totaalbedrag van premieplichtig loon in de gehele onderneming in het jaar voorafgaande aan dat van overgang.
3. Tenzij de overgang plaatsvindt op 1 januari van het kalenderjaar vindt voor de werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had voor het moment van overgang van de onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de optelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.

Voetnoten

1.Artikel 38a Wfsv is bij de totstandkoming niet anders toegelicht dan met verwijzing, in de transponeringstabel bij de memorie van toelichting, naar het inhoudelijk daarmee overeenkomende artikel 78, zevende lid van de Wet WAO zoals dat met de Wet Pemba was ingevoerd (TK 2004-2005, 29 529, nr. 3, blz. 99). Dat artikel was op zijn beurt bij de totstandkoming ervan alleen toegelicht met verwijzing naar artikel 85, derde lid, van de Werkloosheidswet (TK 1995-1996, 24 698, nr. 3, blz. 86). Daar loopt het spoor dood: de achtergrond van dat artikel 85, derde lid, WW is een ander dan die van artikel 38a Wfsv en de daarop gegeven toelichting biedt geen aanknopingspunt.
2.O.a. TK 1995–1996, 24 698, nr. 3, onderdeel 1.2.
3.Wet van 23 november 1967, Stb. 1967, 687, geactualiseerd bij Wet van 11 september 1997, Stb. 1997, 465.
4.Met de Invoeringswet Participatiewet, wet van 2 juli 2015, Stb. 270, is de verplichting van gemeenten tot het (doen) aangaan van arbeidsovereenkomsten per 1 januari 2015 vervallen. Daarmee werd alleen een einde gemaakt aan de instroom; bestaande dienstbetrekkingen bleven doorlopen.
5.Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 2018, Stcrt. 37506, respectievelijk Wet arbeidsmarkt in balans, Stb. 2019, 219.
6.TK 2017-2018, 34 775, nr. 110, blz. 2.
7.Uitkeringen aan Wsw’ers die rechtstreeks ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen zijn met name de ‘no risk’-gevallen van artikel 29b van de Ziektewet (artikel 117b, lid 3, onderdeel c). Daarnaast zijn te noemen de gevallen van Wsw’ers die terugvallen op een ‘slapende’ Wajong-uitkering (artikel 117b, lid 3, onderdeel b) en de zogenaamde ‘Amber’-gevallen (artikel 117b, lid 3, onderdelen e en g).
8.Het Besluit dateert van 29 november 2005 (Stb. 2005, 585).