ECLI:NL:RBDHA:2026:3564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL24.46850
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWBV 2023/3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen asielaanvraag

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 augustus 2023. De rechtbank verklaarde het beroep aanvankelijk niet-ontvankelijk, waarna verzoeker verzet deed. Nadat verweerder alsnog een besluit nam op 23 april 2025, werd het verzet gegrond verklaard en trok verzoeker het beroep in met een verzoek tot proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling van 30 oktober 2024 geldig was, omdat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden onvoldoende gemotiveerd was. Verweerder heeft niet binnen de geldende termijn beslist en is daarmee gedeeltelijk tegemoetgekomen aan verzoeker.

Op grond van artikel 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €467. De rechtbank past een lichte wegingsfactor toe omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46850

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verzoeker heeft op 26 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 augustus 2023.
Bij uitspraak van 10 februari 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Op 23 april 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Bij uitspraak van 12 mei 2025 is het verzet gegrond verklaard.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend en daarom het verzoek om proceskostenvergoeding moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de verlenging van de beslistermijn met 9 maanden met de WBV 2023/3 [2] onvoldoende gemotiveerd. [3] Dit betekent dat de ingebrekestelling van 30 oktober 2024 geldig is. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.
3.Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.