ECLI:NL:RBDHA:2026:3557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL24.37591
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens motiveringsgebrek bij verdenking verboden wapenbezit

Eiser, met de Israëlische nationaliteit, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van 29 augustus 2024 waarin werd vastgesteld dat hij onrechtmatig in Nederland verbleef en binnen vier weken moest terugkeren naar Israël. Verweerder baseerde dit op een verdenking van een strafbaar feit, namelijk verboden wapenbezit, waarbij eiser pepperspray bij zich had.

Eiser betwistte het besluit omdat verweerder in het besluit onterecht stelde dat hij veroordeeld was, terwijl hij slechts werd verdacht. De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat het niet duidelijk maakte waarom de verdenking voldoende was om het verblijfsrecht te beëindigen.

Na beoordeling van het verweerschrift concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat de verdenking ernstig genoeg was, mede vanwege de heterdaad aanhouding en de bevindingen van AVIM-ambtenaren. Daarom blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser wegens het motiveringsgebrek in het oorspronkelijke besluit. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 20 februari 2026.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37591

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft én dat hij binnen een termijn van vier weken moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Israëlische nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft, nu eisers vrije termijn [2] is vervallen omdat hij is aangehouden en veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit bepaald dat eiser binnen vier weken het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland zelfstandig moet verlaten en moet terugkeren naar zijn opgegeven land van herkomst, namelijk Israël.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft namelijk niet toegelicht voor welk strafbaar feit eiser is veroordeeld en welke straf hij heeft gekregen. Als eiser niet is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, dan heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom alleen een verdenking of seponering voldoende is om te concluderen dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft.
4. In zijn verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat uit het proces-verbaal van aanhouding van 14 augustus 2024 volgt dat eiser op heterdaad is aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Eiser was in het bezit van pepperspray. Daarop staat een gevangenisstraf van vier jaar en dat is voldoende om eisers verblijfsrecht te doen beëindigen. Omdat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet was veroordeeld, moet verweerder vaststellen dat sprake is van met elkaar overeenstemmende, objectieve en nauwkeurige elementen op grond waarvan kan worden geconstateerd dat eiser kon worden verdacht van verboden wapenbezit. Onder verwijzing naar het eerdergenoemde proces-verbaal stelt verweerder dat daarvan sprake is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Eisers beroepsgrond dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd slaagt. In het bestreden besluit wordt namelijk ten onrechte overwogen dat eiser is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Deze vaststelling is feitelijk onjuist, omdat verweerder in zijn verweerschrift schrijft dat eiser slechts werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit ten tijde van het uitvaardigen van het bestreden besluit. Verweerder was daarom gehouden om in het bestreden besluit te motiveren waarom de verdenking van verboden wapenbezit voldoende ernstig is om op basis hiervan eisers verblijfsrecht te beëindigen.
6. Het beroep tegen het bestreden besluit is wegens dit motiveringsgebrek dan ook gegrond. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. Hierna wordt beoordeeld of de rechtsvervolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, [3] waarbij de motivering in het verweerschrift wordt beoordeeld.
7. De Afdeling [4] heeft in haar uitspraak van 2 september 2020 geoordeeld dat het strafbare feit waarvan de betrokken onderdaan van een derde land wordt verdacht, in het licht van de aard ervan en de strafmaat, ernstig genoeg moet zijn om te rechtvaardigen dat het verblijf van deze onderdaan op het grondgebied van de lidstaten onmiddellijk wordt beëindigd. Indien er geen veroordeling heeft plaatsgevonden, kan verweerder zich daarentegen alleen beroepen op een bedreiging van de openbare orde indien er concordante, objectieve en nauwkeurige elementen zijn op grond waarvan deze onderdaan kan worden verdacht van het plegen van een dergelijk strafbaar feit.
8. Met de verwijzing naar de maximale gevangenisstraf voor verboden wapenbezit heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat sprake was van de verdenking van een voldoende ernstig strafbaar feit om het verblijfsrecht van eiser onmiddellijk te beëindigen. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er concordante, objectieve en nauwkeurige elementen aanwezig waren om te concluderen dat eiser verdacht werd van het plegen van dit strafbare feit. Zo wijst verweerder er terecht op dat eiser op heterdaad is aangehouden en dat hij in preventieve hechtenis verbleef van 20 augustus 2024 tot 29 augustus 2024. Ook wijst verweerder terecht op de bevindingen van de AVIM [5] -ambtenaren in de op ambtsede opgemaakte proces-verbalen van bevindingen en aanhouding, waarin onder meer staat dat eiser in het bezit was van pepperspray en dat in het voertuig waar eiser in zat nog een pepperspraybus en twee pepperspraypistolen lagen.
9. Nu hangende het beroep de vereiste motivering alsnog is gegeven, oordeelt de rechtbank dat op basis daarvan de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
10. Omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op
€ 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Zoals bedoeld in artikel 12 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
3.Zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.