Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft beroepen van eiseres tegen drie door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende omgevingsvergunningen voor het veranderen en vergroten van woningen door het wijzigen van de indeling, het maken van constructieve doorbraken, trappen en het plaatsen van een extra bouwlaag voor vijf nieuwe appartementen.
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijnen niet zijn overschreden en dat het college de bezwaarprocedures zorgvuldig heeft doorlopen. De rechtbank stelt vast dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, mede omdat de maximale bouw- en goothoogte niet wordt overschreden of dat afwijking op grond van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht is toegestaan. De parkeerbehoefte is correct berekend en mag deels worden ingevuld met deelmobiliteit en gehuurde garageboxen binnen de toegestane loopafstand.
Verder wijst de rechtbank de beroepsgronden af die zien op vermeende strijd met het Bouwbesluit 2012, stikstofonderzoek, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, BAG-registratie en beginselen van behoorlijk bestuur. Ook het welstandsadvies is volgens de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen. De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen gelijk krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.