ECLI:NL:RBDHA:2026:3548

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
SGR 23/4872
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen handhavingsverzoek verkoop appartementen zonder onherroepelijke omgevingsvergunning

Eiseres heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verzocht handhavend op te treden tegen de verkoop van appartementen waarvan de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is. Het college wees dit verzoek af, stellende dat de vergunningen weliswaar niet onherroepelijk zijn, maar wel van kracht, en dat er geen sprake is van overtreding van publiekrechtelijke regels.

Eiseres stelde in beroep dat het verkopen van de appartementen zonder definitieve vergunning onwenselijk is en risico's voor kopers met zich meebrengt. Ook uitte zij kritiek op de behandeling van haar verzoek en bezwaar door het college en de bezwaarschriftencommissie. De rechtbank oordeelde dat het college terecht heeft gehandeld, omdat geen overtreding als bedoeld in artikel 5.1 Awb is vastgesteld en de bezwaarprocedure zorgvuldig is doorlopen.

De rechtbank benadrukte dat de rechtmatigheid van de omgevingsvergunningen niet in deze procedure kan worden beoordeeld, aangezien daarover aparte beroepen lopen. Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat zij geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard omdat geen overtreding is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. P. Yildrim).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V.uit [plaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed).

Samenvatting

1. Eiseres heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen de verkoop van appartementen zonder dat daarvoor een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek en voert in beroep een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en haar beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 30 oktober 2022 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft dit verzoek afgewezen met het besluit van 5 december 2022. Met het bestreden besluit van 13 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met onder meer de beroepen van eiseres tegen de in het handhavingsverzoek bedoelde omgevingsvergunningen (zaaknummers SGR 22/5, SGR 23/962 en SGR 23/1217). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college, en namens vergunninghoudster: ir. [naam] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghoudster.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft op 30 oktober 2022 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Dit handhavingsverzoek komt er – samengevat weergegeven – op neer dat eiseres heeft geconstateerd dat enkele appartementen aan de [straat 1] en [straat 2] in de verkoop staan, terwijl de omgevingsvergunningen voor het realiseren daarvan nog niet onherroepelijk zijn. Volgens eiseres is het onwenselijk dat de appartementen al worden verkocht. In dat verband wijst zij op de – onder meer door haarzelf ingestelde – procedures die nog lopen over de verleende omgevingsvergunningen voor de dakopbouwen en de wijzigingen daarvan. Verder heeft eiseres uiteengezet wat haar bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunningen zijn.
3.1.
In het besluit van 5 december 2022 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Het college heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat omgevingsvergunningen zijn verleend voor het realiseren van de bouwplannen van vergunninghoudster. Volgens het college is er geen strijd met de verleende vergunningen, en verder ook niet met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Dat de omgevingsvergunningen nog niet onherroepelijk zijn, is volgens het college niet relevant. Verder is er ook geen overtreding van de Huisvestingswet omdat geen sprake is van splitsing, aldus het college.
3.2.
In het bestreden besluit van 13 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is het college hierbij gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres heeft in beroep toegelicht dat haar handhavingsverzoek niet ziet op het realiseren van de dakopbouwen in strijd met het bestemmingsplan, maar dat het een integriteitskwestie betreft. Volgens eiseres is het niet gepast om de appartementen al te verkopen terwijl er nog allerlei beroepsprocedures lopen en de omgevingsvergunningen nog niet definitief zijn. Dat levert risico’s op voor de kopers. Daar komt nog bij dat vergunninghoudster eerder altijd heeft aangegeven dat de appartementen verhuurd zouden worden, terwijl nu tot verkoop is overgegaan. Verder plaatst eiseres kanttekeningen bij de manier waarop het college met haar verzoek en bezwaar is omgegaan. Ook de gang van zaken bij de bezwaarschriftencommissie heeft eiseres als onprettig ervaren.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat omgevingsvergunningen niet onherroepelijk hoeven te zijn om daar uitvoering aan te geven. Verder is de bezwaarprocedure volgens het college zorgvuldig doorlopen.
4.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Het college is pas bevoegd om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het dossier blijkt niet dat sprake is van een overtreding. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd ook niet kunnen verduidelijken welke publiekrechtelijke regel zou zijn overtreden met de verkoop van de appartementen. Het college heeft er in dat verband terecht op gewezen dat het gegeven dat de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, niet betekent dat hij niet van kracht is.
4.4.
Met betrekking tot de gang van zaken in de bezwaarfase ziet de rechtbank – gelet op de toelichting van het college in het verweerschrift – geen grond voor het oordeel dat deze niet zorgvuldig is doorlopen, dan wel dat het college in dit verband heeft gehandeld in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur.
5. Voor zover eiseres betoogt dat de omgevingsvergunningen ten onrechte zijn verleend, overweegt de rechtbank dat de rechtmatigheid van de omgevingsvergunningen in deze procedure niet aan de orde kan komen. Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunningen. In de uitspraak op die beroepen beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de omgevingsvergunningen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.