ECLI:NL:RBDHA:2026:3546

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7641
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Zwitserland op grond van Dublinverordening

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Na een eerdere afwijzing van het beroep van verzoeker en een gegrond verklaard verzet, heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om overdracht aan Zwitserland te voorkomen totdat het beroep is behandeld.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen bij onverwijlde spoed en gelet op de belangen van verzoeker. De minister heeft aangegeven spoedig overdrachtshandelingen te verrichten, maar verzet zich niet tegen de voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Zwitserland totdat op het beroep is beslist. Tevens worden de proceskosten van verzoeker toegewezen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Zwitserland wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7641

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL25.28342).
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Bij uitspraak van 10 oktober 2025 is het verzet van verzoeker gegrond verklaard.
Verzoeker heeft op 11 februari 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij de uitkomst van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is, zoals bedoeld in de Dublinverordening.
3. Verweerder heeft bij brief van 11 februari 2026 meegedeeld dat hij voornemens is om op korte termijn concrete overdrachtshandelingen te verrichten, nu de uiterlijke overdrachtsdatum aanstaande is en een medische overdracht de nodige voorbereidingstijd met zich meebrengt. Daarbij heeft verweerder ook meegedeeld dat nogmaals een BMA-advies is opgevraagd. Verzoeker heeft hierop het huidige verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, inhoudende dat hij niet mag worden overgedragen voordat is beslist op zijn beroep dat op 26 februari 2026 zal worden behandeld door de rechtbank. Verweerder heeft kenbaar gemaakt zich niet te verzetten tegen een dergelijke voorlopige voorziening en verzoekt de rechtbank om met spoed uitspraak op het verzoek te doen.
4. De voorzieningenrechter ziet in het bovenstaande aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en de voorlopige voorziening te treffen dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Zwitserland totdat op zijn beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Zwitserland totdat op het beroep met zaaknummer NL25.28342 is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.