De moeder verzocht de rechtbank om haar het eenhoofdig gezag over haar minderjarige kind toe te kennen, omdat zij problemen ervaart met de uitoefening van het gezamenlijk gezag, met name door het weigeren van toestemming door de vader voor belangrijke zaken zoals het aanvragen van een paspoort.
De rechtbank stelde vast dat het gezamenlijk gezag sinds 2012 bestaat en dat de omstandigheden sindsdien zijn gewijzigd, onder meer doordat het contact tussen de ouders sinds de zomer van 2024 is verbroken. De vader betwistte de stellingen van de moeder en gaf aan dat hij zijn gezag niet misbruikt en dat zijn weigering van toestemming voor het paspoort gebaseerd was op zorgen over de religieuze richting van de moeder en het kind.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is van een situatie waarin het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders, noch dat eenhoofdig gezag noodzakelijk is in het belang van het kind. De moeder heeft tot nu toe alle noodzakelijke gezagsbeslissingen kunnen nemen en er is geen bewijs dat de vader het gezag dwarsboomt, behalve in het specifieke geval van het paspoort. De moeder kan in dat geval vervangende toestemming bij de rechtbank vragen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en blijft het gezamenlijk gezag van kracht. De rechtbank sprak ook met het kind en stuurde een brief waarin de beslissing en de overwegingen werden toegelicht.