De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de man in een procedure na een pro forma echtscheiding. De man verzocht om aanvullende bankafschriften van de vrouw over een periode van zes maanden voorafgaand aan het verzoekschrift, met het oog op mogelijke benadeling van de gemeenschap.
De vrouw had reeds bankafschriften overgelegd van 1 april 2024 tot en met 23 mei 2024, conform een eerdere beschikking van 6 juni 2025. De man erkende dat uit deze stukken geen aanwijzingen voor benadeling van de gemeenschap naar voren kwamen. De rechtbank oordeelde dat geen aanleiding bestond om de vrouw te verplichten tot het verstrekken van extra bankafschriften.
Verder handhaafde de rechtbank de eerdere beslissingen omtrent huurrecht, hoofdverblijfplaats van de kinderen, zorgregeling en alimentatie. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek van de man werd derhalve afgewezen.