ECLI:NL:RBDHA:2026:3424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694415 / FA RK 25-8505
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en doorverwijzing ouderschapsbemiddeling bij geschil over zorg- en opvoedingstaken

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling voor hun minderjarige kind, waarbij hij primair een week-op-week-af regeling wenste. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit, maar konden geen definitieve afspraken maken over de zorgverdeling. De vader is student met een bijbaan en wil een actieve rol in de opvoeding vervullen. De moeder erkent het belang van contact, maar heeft praktische bezwaren tegen een week-op-week-af regeling vanwege reistijd en de noodzaak van meerdere kinderopvanglocaties en scholen.

De rechtbank constateert dat de ouders ondanks praktische uitdagingen bereid zijn samen te werken en dat de communicatie verbeterd moet worden. Daarom wordt een voorlopige regeling getroffen waarbij het kind in oneven weken van donderdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur bij de vader verblijft en in even weken van donderdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur. Het halen en brengen wordt in onderling overleg verdeeld, met aandacht voor praktische haalbaarheid.

Daarnaast wordt het ouderschapsbemiddelingstraject ingezet om de ouders te ondersteunen bij het maken van verdere afspraken. De rechtbank houdt de definitieve beslissing aan tot 1 juli 2026, in afwachting van het verloop van het traject en de ontwikkelingen in de werksituatie van de vader. De moeder heeft een apart verzoek tot kinderalimentatie ingediend, dat in een aparte procedure wordt behandeld.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast en verwijst ouders door naar een ouderschapsbemiddelingstraject, met aanhouding van de definitieve beslissing tot 1 juli 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8505
Zaaknummer: C/09/694415
Datum beschikking: 21 januari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 10 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Boers te ’s-Gravenzande.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van de vader van 16 december 2025, met bijlage;
  • het F9-formulier van de vader van 18 december 2025, met bijlagen.
Op 24 december 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader strekt tot het treffen van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat:
  • [de minderjarige] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader, waarbij op zondag om 17.30 uur wordt gewisseld;
  • in afwijking van het voorgaande geldt het volgende:
- partijen verdelen de kerstdagen bij helfte, in die zin dat [de minderjarige] in de oneven jaren op eerste kerstdag bij de moeder verblijft en op tweede kerstdag bij de vader en in de even jaren andersom, waarbij een kerstdag om 10.00 uur begint en de volgende dag om 10.00 uur eindigt;
- op Moederdag verblijft [de minderjarige] van zaterdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur bij de moeder (wanneer [de minderjarige] niet reeds conform de reguliere zorgregeling bij de moeder verblijft);
- op Vaderdag verblijft [de minderjarige] van zaterdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur bij de vader (wanneer [de minderjarige] niet reeds conform de reguliere zorgregeling bij de vader verblijft);
  • bij een wisselmoment zal [de minderjarige] opgehaald worden door de ouder bij wie zij vanaf dat moment zal zijn;
  • althans een zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:
  • primair te bepalen dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn elke week van vrijdag 17.30 uur tot zaterdag 17.30 uur, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt en haar ook weer terugbrengt, alsmede een deel van de algemeen erkende feestdagen en Vaderdag;
  • subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn elke veertien dagen een weekend van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur, onder de voorwaarde dat de vader dat weekend dan niet werkt en hij zelf de zorg voor [de minderjarige] invult, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt en haar ook weer terugbrengt, alsmede een deel van de algemeen erkende feestdagen en Vaderdag;
  • te bepalen dat de vader gehouden zal zijn een bijdrage te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 100,- per maand met ingang van 1 november 2025, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, en daarbij tevens te bepalen dat de te betalen bijdrage zal worden geïndexeerd per 1 januari 2026.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind.
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
  • De vader heeft [de minderjarige] erkend.
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende naar voren gebracht. Hij wil een betrokken vader zijn en een vaderrol vervullen in het leven van [de minderjarige] . Ondanks pogingen van de vader om met de moeder tot afspraken te komen, lukt het niet om tot een zorgregeling te komen. Volgens de vader ziet hij [de minderjarige] op de momenten waarop de moeder dat goed vindt. Op de zitting is duidelijk geworden dat partijen in aanloop naar de zitting afspraken hebben gemaakt over het contact tussen de vader en [de minderjarige] voor de korte termijn. [de minderjarige] is van vrijdag 17.30 uur tot en met zaterdag 17.30 uur bij haar vader. De vader zou graag meer omgang met [de minderjarige] willen maar het lukt de ouders niet om nadere afspraken te maken. De vader gaat vier dagen per week naar school en is vrij op de vrijdag, zaterdag en zondag. Hij heeft wel een bijbaantje in de weekenden, maar kan dit zo plannen dat hij vrij is als [de minderjarige] bij hem is. Daarnaast volgt hij een opleiding. Hij verwacht deze over vijf maanden af te ronden. Daarna is hij van plan parttime te gaan werken, zodat hij tijd heeft voor [de minderjarige] . De vader is zich bewust van de praktische uitdaging die partijen hebben. De ouders wonen op enige afstand van elkaar en hebben beiden geen rijbewijs, waardoor zij aangewezen zijn op het openbaar vervoer of hulp van derden. Gelet op de praktische uitdagingen is, volgens de vader een week-op-week-af-regeling het meest passend, zodat de reisbewegingen beperkt worden. Gedurende de dagen dat de vader naar zijn opleiding gaat, is de oma vaderszijde beschikbaar om op [de minderjarige] te passen of kan [de minderjarige] naar een kinderopvang of een gastouder in de buurt van de woning van de vader.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader en verzoekt om een beperktere zorgregeling. Het staat voor haar buiten kijf dat er contact moet zijn tussen de vader en [de minderjarige] , zodat [de minderjarige] zich veilig aan hem kan hechten. De moeder heeft echter praktische bezwaren tegen een week-op-week-af-regeling. De reis met het openbaar vervoer tussen de woonplaatsen van de ouders duurt ongeveer twee uur. De moeder vindt het spannend om met [de minderjarige] in de kinderwagen met de trein te reizen. Dat maakt het voor de moeder ingewikkeld om [de minderjarige] te halen en te brengen. Vanwege de afstand tussen de woonplaatsen van de vader en de moeder zou een week-op-week-af-regeling bovendien betekenen dat [de minderjarige] naar twee verschillende kinderopvangen en later twee verschillende scholen zal moeten. Dat is niet in haar belang. De vader en [de minderjarige] kunnen elkaar wel in het weekend zien. Daarbij is van belang dat ook de moeder vrije tijd met [de minderjarige] kan doorbrengen. Daarom stelt zij voor dat [de minderjarige] om het weekend bij haar vader is. In de tussentijd kan de vader telefonisch contact hebben met [de minderjarige] . De moeder heeft verder naar voren gebracht dat het voor haar belangrijk is dat de vader zelf de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] op zich neemt als [de minderjarige] bij hem is.
De rechtbank stelt voorop dat het positief is dat beide ouders wensen dat de vader een rol als vader in het leven van [de minderjarige] kan spelen. Ook is het positief dat het de ouders ondanks alle praktische problemen is gelukt om afspraken te maken over omgang tussen [de minderjarige] en haar vader. Deze regeling loopt op het moment goed. Op de zitting is bovendien constructief gesproken over de praktische mogelijkheden en onmogelijkheden om de zorgregeling uit te breiden zoals de vader zo graag wenst. De indruk is ontstaan dat beide ouders er heel graag samen de schouders onder willen zetten om het voor [de minderjarige] samen zo goed mogelijk te regelen.
Beide ouders zijn het er daarnaast over eens dat het in ieders belang is dat de communicatie wordt verbeterd, zodat zij in de toekomst samen als ouders voor [de minderjarige] zorg kunnen dragen en er rust op dat vlak ontstaat. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
.
Gedurende dit traject kunnen de ouders nadere afspraken maken over hoe de zorgregeling er uit zou kunnen zien. In de tussentijd is het van belang dat er een duidelijke voorlopige zorgregeling wordt vastgelegd. Daarom zal de rechtbank een
voorlopigezorgregeling vastleggen zoals deze ook op de zitting is besproken en waarbij [de minderjarige] in oneven weken van donderdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur bij de vader verblijft en in even weken van donderdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur.
Ten aanzien van de zorgregeling is duidelijk dat de ouders voor praktische uitdagingen zullen komen te staan, met name op het gebied van vervoer. De moeder vindt het spannend om met [de minderjarige] in een kinderwagen te reizen met de trein, maar heeft op de zitting aangegeven dat [de minderjarige] inmiddels in een buggy kan zitten en dat het nu wel lukt. De vader heeft aangegeven dat hij met het openbaar vervoer kan reizen of met behulp van derden [de minderjarige] kan halen of brengen met de auto. De rechtbank zal daarom bepalen dat de ouders het halen en brengen moeten verdelen
.Het uitgangspunt hierbij is dat de ouders wekelijks allebei een haal- of brengmoment voor hun rekening nemen en daar in onderling overleg afspraken over maken. De rechtbank ziet in dat dit voor de moeder meer uitdagingen geeft dan voor de vader. De rechtbank verwacht dan ook dat de vader met de moeder meedenkt en meehelpt. Er zou bijvoorbeeld overwogen kunnen worden om op een locatie tussen de beide woonplaatsen van de ouders in af te spreken, zoals bijvoorbeeld Den Haag Centraal om het voor de moeder eenvoudiger te maken om [de minderjarige] naar vader te brengen.
De rechtbank zal een definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden tot 1 juli 2026 pro forma in afwachting van het hulpverleningstraject en de verdere ontwikkelingen. De rechtbank verwacht niet dat het hulpverleningstraject op dat moment zal zijn afgerond, maar wenst op de hoogte gehouden te worden van de ontwikkelingen in dat traject en de werksituatie van de vader. Hij heeft op de zitting aangegeven dat hij over vijf maanden zijn opleiding zal afronden en dan op zoek zal gaan naar een parttime baan zodat hij genoeg tijd heeft om voor [de minderjarige] te zorgen. De rechtbank wil daarom van de vader weten op welke dagen hij werkt en op welke dagen hij vrij en dus beschikbaar is om voor [de minderjarige] te zorgen. Ook wenst de rechtbank geïnformeerd te worden over hoe de zorgregeling op dat moment verloopt en of een tussentijdse uitbreiding in het belang van [de minderjarige] is en in praktische zin mogelijk is. Indien partijen het niet nodig vinden om daarvoor opnieuw een zitting te plannen, kan een tussenbeschikking zonder voorafgaande mondelinge behandeling worden gegeven. De zaak zal daarna opnieuw worden aangehouden in afwachting van de afronding van het hulpverleningstraject, waarna een definitieve beslissing over de zorgregeling zal volgen.
Kinderalimentatie
Door de moeder is op 12 december 2025 een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een door de vader aan haar te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] ingediend.
De rechtbank heeft het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie afgesplitst, onder zaak- en rekestnummer C/09/697064 FA RK 25-9988. Aan de vader is een schriftelijke verweertermijn gegeven tot 2 februari 2026. Na ontvangst van het verweerschrift van de vader zal in die procedure worden beslist over het verdere verloop.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige, [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] , met ingang van donderdag 29 januari 2026
voorlopigbij de vader zal zijn:
  • in oneven weken van donderdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur;
  • in even weken van donderdag 17.30 uur tot vrijdag 17.30 uur;
  • waarbij geldt dat de ouders het halen en brengen in onderling overleg verdelen;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader],
wonende te [adres 1] ,
en
[de moeder],
wonende te [adres 2] ;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Jeugdteams Leidse Regio, [adres 3] ;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot
1 juli 2026 pro forma;
bepaalt dat het zelfstandige verzoek van de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie wordt afgesplitst en verder wordt behandeld onder zaak- en rekestnummer C/09/697064 FA RK 25-9988.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 januari 2026.