ECLI:NL:RBDHA:2026:3422
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring en voortvarendheid uitzetting naar Marokko
De minister heeft op 11 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder op 20 januari 2026 deze maatregel getoetst en in deze procedure beoordeelt zij wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 16 januari 2026 is gebeurd.
Eiser betoogt dat de maatregel onrechtmatig voortduurt omdat er onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting wordt gewerkt. Hij stelt dat er te weinig uitzettingshandelingen zijn verricht en dat er slechts schriftelijk is gerappelleerd op de laissez-passer-aanvraag, zonder telefonisch contact met de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast ontbreekt volgens eiser het zicht op uitzetting, ondanks dat hij alle gegevens heeft verstrekt.
De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt en dat de minister voldoende voortvarend handelt. De lp-aanvraag van 14 november 2025 is nog in onderzoek en er zijn geen aanwijzingen dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp zullen afgeven. Bovendien heeft eiser niet volledig meegewerkt, waardoor het zicht op uitzetting in beginsel is gegeven. De minister voerde op 19 januari 2026 een vertrekgesprek en rappelleerde schriftelijk op 29 januari 2026, wat voldoende is gezien de recente lp-aanvraag.
De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is voortgezet en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.