Eiser, afkomstig uit Iran, vroeg in 2019 asiel aan in Nederland na een scheiding en met een omgangsregeling voor zijn dochter. Verweerder wees de aanvraag af omdat hij niet geloofde in eisers afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom deze motieven ongeloofwaardig zijn.
De rechtbank constateert dat eiser onvoldoende persoonlijke en authentieke verklaringen heeft gegeven over zijn geloofsafwending en bekering, waarbij algemene en tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd. Ook de gestelde huiszoeking en deelname aan huiskerkbijeenkomsten in Iran worden als ongeloofwaardig beoordeeld. Verweerder heeft bovendien voldoende toegelicht dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van het familieleven met zijn dochter.
Hoewel verweerder een motiveringsgebrek vertoonde omtrent de risico’s bij terugkeer naar Iran, wordt dit door aanvullende toelichting hersteld. De rechtbank acht het risico op ernstige schade bij terugkeer niet aannemelijk. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een vergoeding van proceskosten toegekend vanwege procedurele gebreken.