ECLI:NL:RBDHA:2026:3373

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL25.22329
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Verzoekster heeft op 16 januari 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 27 mei 2024 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en gaf de minister een termijn van acht weken om een besluit te nemen. Nadat de minister op 25 september 2025 alsnog een besluit nam, trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de minister door het niet tijdig beslissen en het latere besluit geheel of gedeeltelijk aan verzoekster tegemoet is gekomen. Op grond van artikel 8:75a Awb kan de rechtbank in dat geval de proceskosten veroordelen. De rechtbank stelt de proceskosten vast op €467, gebaseerd op een puntensysteem en een lichte wegingsfactor, omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig beslissen.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van deze proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan door rechter W.H. Bel op 19 februari 2026 en is zonder zitting gewezen.

Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot betaling van €467 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22329

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 16 januari 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar aanvraag van 27 mei 2024 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij [referent] .
Bij uitspraak van 19 maart 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats, het beroep van 16 januari 2025 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. [2]
Op 15 mei 2025 heeft verzoekster opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag
Op 25 september 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [3] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [4] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoekster heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Besluit proceskosten bestuursrecht.