Verzoeker stelde op 13 mei 2025 beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag van 4 juli 2024 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en kinderen. Op 21 november 2025 nam de minister alsnog een besluit op deze aanvraag. Vervolgens trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de minister door het alsnog nemen van het besluit geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoet was gekomen. Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank in dat geval de proceskosten aan de minister opleggen. De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 467, gebaseerd op een puntensysteem en een lichte wegingsfactor, omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig beslissen.
Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister verplicht is het betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden aan verzoeker. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 19 februari 2026 door rechter W.H. Bel.