ECLI:NL:RBDHA:2026:3306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
C/09/655119 / FA RK 23-7375
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en geen zorgregeling voor minderjarigen na aanhouding

De rechtbank Den Haag heeft op 20 januari 2026 een beschikking gegeven inzake de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarigen, geboren in 2008 en 2011. Na een periode van aanhouding zijn de kinderen in februari 2025 naar hun vader gegaan en wonen daar sindsdien. De minderjarigen gaven aan dat het goed met hen gaat en dat zij niet bij de moeder willen wonen. De rechtbank hechtte veel waarde aan hun mening gezien hun leeftijd en wijzigde de hoofdverblijfplaats naar de vader.

De minderjarigen hebben verzocht geen zorgregeling met de moeder vast te leggen, omdat zij behoefte hebben aan rust en stabiliteit, maar willen wel contact met de moeder wanneer zij dat zelf wensen. De moeder erkent de weerstand van de kinderen en stelt een minimale zorgregeling voor, zoals een wekelijkse avondcontact, maar vreest dat het ontbreken van een regeling tot geen contact kan leiden. De vader benadrukt het belang van rust en stabiliteit en vindt een zorgregeling niet passend.

De Raad voor de Kinderbescherming en de bijzondere curator onderschrijven het belang van eigen regie van de kinderen en achten het vastleggen van een zorgregeling op dit moment niet in hun belang. De rechtbank oordeelt dat verplicht contact met de moeder averechts kan werken en dat de situatie voor de kinderen stabiel is bij de vader. De werkzaamheden van de bijzondere curator worden beëindigd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt bij de vader vastgesteld en er wordt geen zorgregeling met de moeder vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 23-7375
Zaaknummer: C/09/655119
Datum beschikking: 20 januari 2026

Informele rechtsingang – hoofdverblijfplaats en zorgregeling (na aanhouding)

Beschikkingin het kader van de op 9 oktober 2023 en 6 december 2023 ingekomen brieven van:

de minderjarige [de minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en

de minderjarige [de minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C. van ’t Hek in Dordrecht (voorheen: mr. S. Ben Ahmed in Rotterdam)
en

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

Bij beschikking van 11 februari 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – :
  • zijn de ouders verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject “Duurzaam samenwerken na scheiding” en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
  • is bepaald dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert – met een eindrapportage uiterlijk 1 augustus 2025 – omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
  • is bepaald dat de ouders de rechtbank uiterlijk 8 augustus 2025 informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
  • is iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden tot 15 augustus 2025 pro forma.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van:
  • het e-mailbericht van 21 februari 2025 van de moeder;
  • het e-mailbericht van 12 maart 2025 van de moeder;
  • het e-mailbericht van 22 juli 2025 van het Kenniscentrum Kind en Scheiding;
  • het bericht van 8 augustus 2025 van de moeder;
  • het e-mailbericht van 26 augustus 2025 van de bijzondere curator, met bijlagen;
  • het e-mailbericht van 5 september 2025 van de vader;
  • het e-mailbericht van 16 oktober 2025 van de vader;
  • het e-mailbericht van 29 oktober 2025 van mr. Van ’t Hek;
  • het e-mailbericht van 17 november 2025 van mr. Van ’t Hek;
  • het bericht van 18 december 2025 van de moeder, met bijlagen.
De minderjarigen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 23 december 2025 is de behandeling op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan mr. M. Nentjes als waarnemend advocaat;
  • de vader;
  • de bijzondere curator mr. J.E.C. Verhoeff;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen in de vorige beschikkingen is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Hoofdverblijfplaats
Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in februari 2025 naar hun vader zijn gegaan en daar sindsdien wonen. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] geven aan dat het daar goed met ze gaat, dat ze willen dat dit zo blijft en hebben aangegeven niet bij de moeder te willen wonen. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , respectievelijk 14 en 17 jaar, hecht de rechtbank veel waarde aan hun mening. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] te wijzigen, in die zin dat de zij hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Het zwaartepunt van het leven van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] heeft zich inmiddels verplaatst naar de vader en om die reden acht de rechtbank het in hun belang om de juridische werkelijkheid in overeenstemming te brengen met de feitelijke werkelijkheid en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] bij de vader te bepalen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1]
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben verzocht om geen zorgregeling met de moeder vast te leggen. Zij hebben behoefte aan rust en stabiliteit. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben daarbij wel aangegeven contact met de moeder te willen houden. Zij willen niet dat dit op een vast moment is maar alleen als zij daar behoefte aan hebben.
De moeder
De moeder heeft aangegeven dat zij het vaststellen van een zorgregeling van groot belang vindt. Waar zij aanvankelijk vasthield aan een vrijwel 50/50-verdeling, ziet zij in, gelet op de weerstand van de kinderen, dat een minimale zorgregeling meer passend is. Vanuit een dergelijke regeling zou volgens de moeder kunnen worden toegewerkt naar het verbeteren van de relatie tussen haar en de kinderen, en eventueel een uitbreiding van de zorgregeling. De moeder heeft op de zitting voorgesteld om een wekelijkse avond vast te leggen waarop de kinderen bij haar komen eten, bijvoorbeeld op dinsdagavond. Daarbij heeft de moeder naar voren gebracht dat, indien geen zorgregeling wordt vastgesteld, de invulling van het contact volledig bij [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] komt te liggen. Zij heeft daarbij de zorg geuit dat dit voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] veel druk meebrengt en vreest ervoor dat dit uiteindelijk tot gevolg heeft dat er helemaal geen contact meer is.
De vader
De vader vindt het niet in het belang van de [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] om een zorgregeling vast te stellen. Hij benadrukt dat rust en stabiliteit voor de kinderen voorop moeten staan. Volgens de vader hebben [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] het fijn bij hem en hebben zij de mogelijkheid om contact met de moeder te hebben wanneer zij daar zelf behoefte aan hebben. Daarbij heeft de vader aangegeven dat hij het moeilijk vindt om de kinderen, gelet op hun mening en gelet op hoe de contactmomenten verlopen, actief te stimuleren in het contact met de moeder en dat ook niet meer te doen.
De Raad
Op de zitting heeft de Raad aangegeven dat het een ingewikkelde situatie is, waarbij de ouders erg verschillend denken en hun relatie en communicatie nog steeds heel slecht is. De kinderen zitten daar tussenin. De Raad heeft daarbij naar voren gebracht dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hun eigen wensen hebben en dat hebben laten blijken, onder meer door gebruik te maken van de informele rechtsingang en door in februari 2025 volledig op eigen initiatief naar hun vader zijn gegaan. De Raad leidt hieruit af de [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] behoefte hebben aan regie over hun eigen leven en dat zij hun eigen pad willen volgen. Hoewel de Raad van mening is dat het belangrijk is dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] contact hebben met beide ouders, acht de Raad het van belang dat zij zelf kunnen bepalen wanneer zij contact hebben met de moeder. De Raad vreest dat het vastleggen van een zorgregeling, ook als dat over één vaste avond in de week gaat, voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] als benauwend kan worden ervaren en een averechts effect heeft.
De bijzondere curator
De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] geen vaste zorgregeling met de moeder wensen, maar dat zij wel openstaan voor contact met de moeder. Verder sluit de bijzondere curator zich aan bij de Raad met betrekking tot de
de eigen regie van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] . Volgens de bijzondere curator ligt de sleutel tot verbetering van de situatie nog steeds bij de ouders.
Oordeel rechtbank
Hoewel de rechtbank het in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] acht dat zij contact hebben met de moeder, acht de rechtbank het in de huidige omstandigheden niet in het belang van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] om een zorgregeling vast te stellen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. In het recente verleden is, onder andere met de bijzondere curator, geprobeerd om regelmaat te brengen in het contact tussen de moeder en de kinderen. Dit heeft echter onvoldoende resultaat opgeleverd om verschillende redenen. Gebleken is dat het contact tussen de moeder en de kinderen in ieder geval tot zeer recent niet prettig verliep, en de kinderen veel spanning voelden tijdens de contactmomenten. Hierin lijkt nu voorzichtig een positieve verandering te komen, maar dit is nog zo pril dat het vastleggen van een zorgregeling het risico meebrengt dat de weerstand van de kinderen weer zal toenemen.
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij de rust krijgen waar zij al zo lang naar op zoek zijn. Dat dit heel hard nodig is komt het best tot uiting in het feit dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] het in februari 2025 nodig hebben gevonden om bij hun moeder weg te gaan en bij hun vader in te trekken. De situatie lijkt nu voor de kinderen in ieder geval stabiel. De rechtbank hoopt dat dit ervoor kan zorgen dat bij de kinderen op den duur weer de benodigde ruimte ontstaat om het contact met de moeder uit te breiden. Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat het vastleggen van een zorgregeling op dit moment niet in het belang van de [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] is. In zijn algemeenheid kan het ontbreken van een zorgregeling bij kinderen voor nog meer druk zorgen, maar gelet op het feit dat de kinderen dit niet willen, zij gebruik hebben gemaakt van de informele rechtsingang en dus zelf het initiatief hebben genomen om iets te veranderen en in februari 2025 hebben besloten bij de vader te gaan wonen, is dat in deze situatie naar het oordeel van de rechtbank anders. Volgens de rechtbank toont dit aan dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] de ontstane situatie wilden beëindigen en in die zin zelf regie willen voeren over hun leven.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verplicht contact met de moeder in de huidige situatie een averechts effect op de ontwikkeling van de [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zal hebben. De kinderen willen geen regeling en de weerstand daartegen is groot. Het contact verloopt de laatste tijd weliswaar iets beter maar die ontwikkeling is nog maar heel pril. Hoewel de rechtbank ook begrijpt dat dit voor de moeder erg verdrietig is zal de rechtbank bepalen dat er geen zorgregeling tussen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] en de moeder zal gelden. De rechtbank merkt daarbij op dat het [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] natuurlijk wel contact met hun moeder kunnen hebben. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader dit ook zal stimuleren, en de moeder zich zal inspannen om het contact dat er wel is met de kinderen op een prettige en positieve wijze te laten verlopen. Zoals de bijzondere curator terecht heeft aangegeven, de sleutel om de situatie voor de kinderen structureel te verbeteren waarbij zij niet langer tussen hun ouders in zitten, ligt bij de ouders.
Ontslag bijzonder curator
De bijzondere curator heeft een verslag gemaakt en heeft daarna verschillende updates gestuurd. Daarmee is de informatie verstrekt die van belang was in de procedure. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator daarom voor deze procedure als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 26 april 2023 van deze rechtbank –:
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 in [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;
bepaalt dat er geen zorgregeling tussen de kinderen en de moeder geldt;
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.