ECLI:NL:RBDHA:2026:3273
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige verkrachtingsbeschuldiging en onvoldoende vreesbesnijdenis dochters
Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege een onterechte beschuldiging van verkrachting door zijn stiefmoeder en de dreiging van besnijdenis van zijn dochters bescherming zocht. Verweerder wees de aanvraag af omdat de beschuldigingen niet geloofwaardig waren en de vrees voor besnijdenis onvoldoende was onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks de termijnoverschrijding. De rechtbank vond dat verweerder terecht de beschuldigingen van verkrachting ongeloofwaardig had bevonden, mede vanwege inconsistenties in de verklaringen van eiser en het ontbreken van bewijs. Ook was de vrees voor besnijdenis van de dochters onvoldoende geconcretiseerd en niet aannemelijk gemaakt met betrekking tot de situatie in Kenia.
Verder concludeerde de rechtbank dat de belangen van de kinderen en het gezinsleven niet werden geschaad, mede omdat het gezin niet gescheiden wordt en er mogelijkheden zijn om in Kenia of Gambia te verblijven. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid van de verkrachtingsbeschuldiging en onvoldoende aannemelijkheid van de vrees voor besnijdenis van de dochters.