ECLI:NL:RBDHA:2026:3266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
09-274989-21
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 26 WWMArt. 33 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak heroïne en witwassen, veroordeling verboden wapenbezit met taakstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van 1 kg heroïne, witwassen van een geldbedrag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van het bezit van heroïne en witwassen, omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was geleverd dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Het geldbedrag was aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte, maar bleek toe te behoren aan haar broer, die verklaarde dat het geld uit autohandel kwam.

Voor het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie werd de verdachte wel veroordeeld. De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had, omdat zij het wapen in augustus 2021 had gevonden en daarna niet had gecontroleerd of het was verwijderd, terwijl zij de slaapkamer bleef gebruiken. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn en haar persoonlijke omstandigheden legde de rechtbank een taakstraf van 150 uur op, met een subsidiaire hechtenis van 75 dagen, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast verklaarde de rechtbank diverse inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd, waaronder een geldbedrag van €16.950,- dat toebehoorde aan de broer van de verdachte, en gelastte de teruggave van €2.600,- aan de moeder van de verdachte.

De strafoplegging hield rekening met het blanco strafblad van de verdachte en de ernst van het feit, waarbij het verboden wapenbezit een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormt dat bestraft moet worden.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van heroïne en witwassen, veroordeeld voor verboden wapenbezit met taakstraf van 150 uur.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/274989-21
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Roosma, en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw, mr. P. Metgod, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 12 oktober 2021 te Rotterdam, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 1 kg heroïne, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
zij of omstreeks 12 oktober 2021, te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een of meer voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) met een totaal van 16.950 Euro
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
3.
zij op of omstreeks 12 oktober 2021 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, model 19, kaliber 9 mm (9x19) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of munitie van categorie III, te weten kogelpatronen (3 stuks van het merk Geco en/of 6 stuks van het merk S&B en/of 3 stuks van het merk Geco en/of 3 stuks van het merk GFL en/of 6 stuks van het merk S&B), kaliber 9 mm (9x19) voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder
1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en dat het onder 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
3.3.
Beslissingen tot vrijspraak
Feit 1 – aanwezig hebben van heroïne
De rechtbank acht, overeenkomend met de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Dit maakt dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Feit 2 – witwassen
De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat onder het bed in de slaapkamer van de verdachte in haar ouderlijk huis een geldbedrag is aangetroffen. De verdachte sliep met enige regelmaat in deze slaapkamer, zo ook ten tijde van het aantreffen van het geldbedrag. Dit geldbedrag behoorde toe aan één van haar broers, [naam 1] , en hij heeft verklaard dat dit geld afkomstig was uit zijn handel in auto’s. Ook de verdachte heeft verklaard dat het geld naar haar weten uit de autohandel van haar broer afkomstig was. Deze verklaringen vinden enige steun in de omstandigheid dat de verdachte de afgelopen tien jaar meerdere auto’s voor haar broer op haar naam had staan. Het feit dat haar broer een uitkering en schulden had, is in dit kader misschien opmerkelijk te noemen, maar maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verdachte alleen daarom had moeten weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was.
De overig door de officier van justitie genoemde omstandigheden, zoals dat de broer van de verdachte het geld niet in zijn eigen huis bewaarde en dat er blijkens een op 28 september 2021 gemaakte foto van de geldstapel in ieder geval één 500 eurobiljet bij zat, zijn daarvoor naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat bij het op 12 oktober 2021 aangetroffen – en in de tenlastelegging genoemde – geldbedrag geen 500 eurobiljetten zijn aangetroffen.
Ook het feit dat inmiddels vast staat dat het geld afkomstig is uit criminele activiteiten en de broer van de verdachte voor het witwassen van onder andere dit geldbedrag is veroordeeld, doet geen afbreuk aan de wetenschap van de verdachte op het moment van haar aanhouding.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal voorgeleidingsdossier [verdachte] , van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 97), het proces-verbaal raadkamer dossier [verdachte] , van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 95).
1. De verklaring van de verdachteafgelegd op de terechtzitting van 5 februari 2026, voor zover inhoudende:
Op het adres [adres 2] stonden mijn ouders ingeschreven. Alleen mijn moeder woonde daar nog. Ik was vaak bij mijn moeder. Ik sliep dan in mijn oude slaapkamer. In augustus 2021 ging ik met vakantie naar Turkije. Om vakantiespullen uit te zoeken heb ik in het gedeelte van de kast gekeken waar ik toen het wapen heb gevonden. Ik pakte een tasje en het voelde zwaar. Ik heb het tasje opengedaan, deed mijn hand erin en toen vond ik het wapen. Ik heb tegen mijn broer [naam 1] gezegd dat het wapen weg moest. Na mijn vakantie verbleef ik af en toe weer in die slaapkamer, ook op 12 oktober 2021 toen het vuurwapen bij de doorzoeking in de woning is aangetroffen. Ik heb niet gecheckt of het wapen weg was.
2. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming,opgemaakt op 12 oktober 2021, voor zover inhoudende (p. 47-50, proces-verbaal voorgeleidingsdossier):
Doorzoeking van de woning [adres 2]
Slaapkamer C3.3 ( [verdachte] )
• Plank midden rechterkant, vuurwapen zwart incl. 2 patroonhouders
Het vuurwapen werd aangetroffen in een dames handtas.
3. Het proces-verbaal van bevindingen,opgemaakt op 14 oktober 2021, voor zover inhoudende (p. 32-34, proces-verbaal raadkamer dossier):
Het vuurwapen werd aangetroffen tijdens de doorzoeking van [adres 2] .
Omschrijving wapenSoort wapen: Pistool
Merk: Glock
Model: 19
Kaliber: 9 mm (9 x 19)
Serienummer: NXM678
Bijzonderheden: In het vuurwapen zat een patroonmagazijn met munitie.
Het originele vuurwapen is eerst omgebouwd zodat het geschikt is voor flobert munitie. Vervolgens is het vuurwapen weer teruggebouwd naar scherpschietend (9 mm).
Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3e, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.
Aantreffen munitieIn het vuurwapen zat een patroonmagazijn met munitie. Tevens werd een 2e patroonmagazijn met munitie aangetroffen.
Omschrijving munitie uit het patroonmagazijn welke in het vuurwapen zat
Soort: Kogelpatroon (volmantel pistoolpatroon)
Merk: 3 x Geco, 6 x S&B
Kaliber: 9 mm (9 x 19)
Omschrijving munitie uit het 2e patroonmagazijn
Soort: Kogelpatroon (volmantel pistoolpatroon)
Merk: 3 x Geco, 3 x GFL en 6 x S&B
Kaliber: 9 mm (9 x 19)
De aangetroffen patronen is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet wapens en munitie.
3.5
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte weliswaar voor haar vakantie in augustus 2021 wetenschap had van het wapen, maar dat zij twee maanden later, op 21 oktober 2021, daarvan geen wetenschap had. Dit geldt temeer nu de broer van de verdachte tegen haar had gezegd dat hij het wapen weg zou halen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie, is onder meer vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van dat wapen.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte in augustus 2021, voor haar vakantie, een vuurwapen heeft gevonden in de kamer waar zij verbleef. Dit vuurwapen zat in een handtas van de verdachte, in een kledingkast die in haar oude slaapkamer van haar ouderlijk huis stond. De verdachte heeft vervolgens tegen haar broer gezegd dat dat wapen weg moest. Nadat de verdachte terugkwam van vakantie verbleef zij zo nu en dan weer in die kamer, zo ook op 12 oktober 2021. Zij heeft niet gecheckt of het wapen daadwerkelijk weg was.
Doordat de verdachte, nadat zij het vuurwapen eerder had aangetroffen, niet heeft gecheckt of het vuurwapen daadwerkelijk weg was, terwijl zij wel gebruik bleef maken van de slaapkamer, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het vuurwapen nog aanwezig zou zijn en daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het voorhanden hebben van het vuurwapen (en de bijbehorende munitie). Dit maakt dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte onder feit 3 bewezen dat:
zij op 12 oktober 2021 te Rotterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock, model 19, kaliber 9 mm (9x19) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III, te weten kogelpatronen (3 stuks van het merk Geco en 6 stuks van het merk S&B en 3 stuks van het merk Geco en 3 stuks van het merk GFL en 6 stuks van het merk S&B), kaliber 9 mm (9x19) voorhanden heeft gehad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 76 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van tweehonderd uren, te vervangen door honderd dagen hechtenis.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan dient te worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van zestien dagen, de tijd in voorarrest doorgebracht, niet overstijgt.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft op 12 oktober 2021 een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Dit vuurwapen en de munitie zaten in een handtas van de verdachte, in een kledingkast die in de door de verdachte regelmatig gebruikte slaapkamer in haar ouderlijk huis stond. Hoewel het vuurwapen niet van de verdachte was, wist zij wel dat het er lag en heeft zij een enorm risico genomen door zich er niet van te verzekeren dat het vuurwapen ook echt weg was. Temeer nu het vuurwapen in een gemeenschappelijke kast lag en de slaapkamer kennelijk ook regelmatig door anderen werd gebruikt, waaronder de neefjes en nichtjes van de verdachte. Verboden wapenbezit brengt ook in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de maatschappij en individuele personen met zich, temeer omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Dit moet dan ook worden bestreden en bestraft.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van de verdachte van 21 januari 2026.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij het in een woning voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder 1 als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. In het geval van de verdachte acht de rechtbank de omstandigheden waaronder het vuurwapen daar terecht is gekomen en het feit dat het vuurwapen niet eigendom van de verdachte was strafverlagend..
De rechtbank acht, alles afwegende, gelet ook op de aard en ernst van het feit, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een passende en geboden reactie.
De rechtbank heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Op 12 oktober 2021 is de verdachte in deze zaak in verzekering gesteld. De rechtbank stelt vast dat vanaf deze datum de redelijke termijn is gaan lopen. Dit betekent dat de zaak op 12 oktober 2023 afgerond had moeten zijn. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen. De rechtbank wijst vonnis op 19 februari 2026. Dit maakt dat de redelijke termijn met bijna 2,5 jaar is overschreden.
Voorts is gebleken is dat de verdachte na haar vrijlating op 27 oktober 2021 weer een stabiel leven heeft opgebouwd. Nadat zij vanwege haar detentie en bestaande verdenking haar toenmalige baan was kwijt geraakt omdat zij geen Verklaring Omtrent het Gedrag kon krijgen, heeft zij een nieuwe baan gevonden en de afgelopen jaren gewerkt. De verdachte heeft haar leven weer op orde. Gelet op haar persoonlijke omstandigheden en de forse overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank geen vrijheidsbenemende straf opleggen. De ernst van het feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank nog wel een forse werkstraf. De rechtbank zal de verdachte opleggen een werkstraf van 150 uren, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft verbleven.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het op de beslaglijst onder
1 genoemde geldbedrag van € 16.950,- verbeurd dient te worden verklaard nu dit van misdrijf afkomstig is. Het op de beslaglijst onder 2 genoemde geldbedrag van € 2.600,- kan aan de moeder van de verdachte, [naam 2] , worden teruggegeven. Ten aanzien van het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp, de geldtelmachine, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit verbeurd dient te worden verklaard. De op de beslaglijst onder 4 en 5 genoemde voorwerpen, te weten de pgp-telefoon en de GPS tracker, dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, omdat deze niet aan de verdachte toebehoren.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de inbeslaggenomen, en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de beslaglijst d.d. 5 februari 2026, oordeelt de rechtbank als volgt.
De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde geldbedrag van € 16.950,- verbeurdverklaren. Dit geldbedrag is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp toebehoort aan een ander dan de verdachte, namelijk aan [naam 1] , en dit geldbedrag door middel van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen.
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende, te weten [naam 2] gelasten van het op de beslaglijst onder 2 genoemde geldbedrag van € 2.600,-.
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 3, 4 en 5 genoemde voorwerpen, te weten een geldtelmachine, een (pgp-)telefoon bq aquarisx2 en een GPS tracker, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen naar het oordeel van de rechtbank aan een ander dan aan de verdachte, namelijk aan [naam 1] , toebehoren en het voorwerpen zijn met betrekking tot welke een strafbaar feit is begaan of die tot het begaan van een misdrijf zijn bestemd, terwijl [naam 1] bekend was met het gebruik of de bestemming in verband daarmee. De rechtbank overweegt dat is gebleken dat [naam 1] in zijn strafzaak onder andere is veroordeeld voor het plegen van handel in cocaïne, waarbij werd gecommuniceerd via berichtendienst Sky-ECC, en witwassen. Het is een feit van algemene bekendheid dat pgp-telefoons worden gebruikt om via onder andere Sky-ECC te communiceren in het kader van de handel in verdovende middelen of andere strafbare feiten. Ook een geldtelmachine en een GPS tracker zijn voorwerpen die in de context van de handel in verdovende middelen (kunnen) worden gebruikt.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 22 c, 22d, 33, 33a en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
150 (HONDERDVIJFTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
de inbeslaggenomen voorwerpen
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde geldbedrag van € 16.950,- en de onder 3, 4 en 5 genoemde voorwerpen, te weten: een geldtelmachine, een (pgp-)telefoon bq aquarisx2 en een GPS tracker;
gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1962, van het op de beslaglijst onder 2 genoemde geldbedrag van € 2.600,-;
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.