ECLI:NL:RBDHA:2026:3262

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL25.39075
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in asielzaak niet-ontvankelijk na gegrondverklaring beroep

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond met een besluit van 14 augustus 2025. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met de beroepszaak op 5 februari 2026. Bij die mondelinge uitspraak werd het beroep gegrond verklaard, waardoor de gevraagde voorlopige voorziening niet meer mogelijk was. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot betaling van de door verzoeker gemaakte proceskosten voor rechtsbijstand, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. van der Knijff en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39075

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de beroepszaak NL25.39074, op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, S. Rezaie als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij mondelinge uitspraak van 5 februari 2026, zaaknummer NL25.39074, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en dit gegrond verklaard. De gevraagde voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
2.1.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten voor de door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 februari 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.