ECLI:NL:RBDHA:2026:3259

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
09-292375-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging en veroordeling openlijke geweldpleging met mes bij tramhalte

De rechtbank Den Haag behandelde op 19 februari 2026 de zaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2008. De verdachte werd beschuldigd van bedreiging met een mes op 3 september 2024 en openlijke geweldpleging op 11 september 2024 bij een tramhalte in Den Haag.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van bedreiging omdat het bewijs onvoldoende was: alleen de aangever verklaarde het tonen van een mes en dreigende woorden, terwijl een aanwezige getuige dit niet bevestigde. Het enkele feit dat de verdachte een mes bij zich had, was onvoldoende bewijs.

Voor het feit van openlijke geweldpleging, waarbij de verdachte met medeverdachten meerdere personen sloeg, schopte en met een mes stak, werd de verdachte wel schuldig bevonden. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat geen noodweersituatie aannemelijk was. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een significante bijdrage leverde aan het geweld.

De straf bestaat uit 75 dagen jeugddetentie waarvan 33 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een contactverbod met medeverdachten, plus een werkstraf van 60 uur. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de positieve ontwikkeling van de verdachte en een korte overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van bedreiging en veroordeeld tot deels voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf voor openlijke geweldpleging met mes.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-292375-24
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BPR-adres: [adres] ,

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 5 februari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. S. van Dongen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. L. Janse te ‘s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 3 september 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door aan die [aangever 1] een mes te tonen en/of stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [aangever 1] en daarbij vervolgens te zeggen 'kom hier zodat ik jou kan steken' althans woorden van gelijke strekking en/of dreigende aard;
2
hij op 11 september 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, openlijk, te weten, ter hoogte van de tramhalte aan de Zuidwoldestraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] , door
- die [aangever 1] op/tegen het lichaam te slaan/stompen,
- die [aangever 2] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in te arm te steken,
- die [aangever 3] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of in de arm, althans in het bovenlichaam te steken en/of
- die [aangever 3] meermalen tegen het lichaam te slaan/stompen en/of op/tegen het lichaam te slaan/schoppen;

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.
3.3
Vrijspraak feit 1
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op of omstreeks 3 september 2024 te ’s-Gravenhage [aangever 1] heeft bedreigd met een mes. De verdachte ontkent dat hij [aangever 1] een mes heeft getoond, steekbewegingen in de richting van [aangever 1] heeft gemaakt, en de betreffende bedreigingen heeft geuit.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat op 3 september 2024 een woordenwisseling heeft plaatsgevonden in een park tussen de verdachte en een andere jongen en de aangever, waarbij de aangever de verdachte vervolgens heeft geslagen. De aangever heeft verklaard dat de verdachte vervolgens een mes pakte uit zijn zak, steekbewegingen maakte in zijn richting en daarbij riep: ‘kom hier zodat ik jou kan steken’. De aangever is daarop weggerend. De verdachte is na afloop van het incident in het park staande gehouden door de politie omdat hij aan het signalement voldeed dat door de aangever was doorgegeven. De verdachte is vervolgens gefouilleerd, waarbij er door de politie een mes in de broeksband van de verdachte is aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij is geslagen door de aangever, waardoor hij op de grond viel en het mes uit zijn zak op de grond terecht kwam.
Op het moment van de woordenwisseling was de aangever samen met een vriendin. Deze vriendin heeft aan de politie verklaard dat er een woordenwisseling ontstond tussen de verdachte, de andere jongen en de aangever. Hoewel de vriendin van de aangever bij het incident aanwezig was, heeft zij verklaard dat zij zelf geen mes heeft gezien. Over steekbewegingen heeft zij niet verklaard. Zij heeft ook niet verklaard dat de verdachte naar de aangever heeft geroepen dat hij bij hem moest komen, zodat hij hem kon steken.
Voldoende steunbewijs voor de aangifte van de bedreiging van de aangever ontbreekt, nu niemand - anders dan de aangever - heeft verklaard het dreigend tonen van het mes, de stekende bewegingen dan wel de bedreigende woorden van de verdachte te hebben waargenomen dan wel gehoord. Het enkele feit dat bij de verdachte achteraf een mes is aangetroffen acht de rechtbank, mede gezien voormelde verklaring van de verdachte, daartoe onvoldoende. Dat betekent dat voor de tenlastegelegde bedreiging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De rechtbank zal de verdachte daarom van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging van [aangever 1] vrijspreken.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5
Bewijsoverwegingen feit 2
De rechtbank acht op basis van de gebruikte bewijsmiddelen het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging plegen van geweld” sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld moet worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank stelt op basis van de gebruikte bewijsmiddelen vast dat de verdachte en de medeverdachten zich bij de tramhalte bevonden. Op het moment dat de tram tot stilstand kwam en de deuren opengingen, ontstond direct een gevecht tussen de groep uit de tram en de verdachte en de medeverdachten. Uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte degene is geweest die aangever(s) heeft gestoken met een mes en dat zowel de verdachte als de medeverdachten aangevers hebben geschopt en geslagen. De verdachte heeft door zijn handelen een significante bijdrage geleverd aan het geweld dat is gepleegd. Nu zowel de verdachte als de medeverdachten geweld hebben gebruikt tegen de andere groep, wordt het geweld dat ieder voor zich heeft gepleegd ook toegerekend aan de andere verdachten.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 11 september 2024 te 's-Gravenhage, openlijk, te weten, ter hoogte van de tramhalte aan de Zuidwoldestraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meer personen, te weten [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] , door
- die [aangever 1] op/tegen het lichaam te slaan/stompen,
- die [aangever 2] met een mes in
dearm te steken,
- die [aangever 3] meermalen met een mes in de rug en in de arm te steken en
- die [aangever 3] tegen het lichaam te slaan/stompen en op/tegen het lichaam te schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, omdat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd op het moment dat de deuren van de tram opengingen geconfronteerd met explosief geweld vanuit de groep in de tram. Op dat moment ontstond er een situatie waaraan de verdachte zich niet kon onttrekken en was hij genoodzaakt om zichzelf te verdedigen. Dat de groep uit de tram met meer personen waren draagt hieraan bij. De manier waarop de verdachte zichzelf heeft verdedigd staat in verhouding tot het gepleegde geweld vanuit de groep in de tram.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Tijdens de verhoren bij de politie heeft de verdachte niet verklaard dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. Pas op een later moment is dit door de verdachte naar voren gebracht. Uit de getuigenverklaringen volgt dat op het moment dat de tramdeuren opengingen beide groepen met elkaar begonnen te vechten. Gelet daarop is er geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake was van een situatie waarin het voor de verdachte nodig was om zichzelf te verdedigen. Het beroep op noodweer moet daarom worden verworpen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat sprake is
van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zich een noodweersituatie heeft voorgedaan. Dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin voor de verdachte de noodzaak ontstond om zich te moeten verdedigen is pas op een laat moment naar voren gebracht door de verdachte. In het dossier is hier geen steun voor te vinden. De vechtpartij tussen de verdachte en medeverdachten enerzijds en de groep in de tram anderzijds is direct begonnen toen de deuren van de tram werden geopend. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat er door alle deelnemers van de vechtpartij hard werd geslagen. Nu niet is gebleken van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweer niet slagen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Nu geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het
feit uitsluiten, is het feit strafbaar.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 75 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 33 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de medeverdachten.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De verdachte heeft gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed meegewerkt aan de schorsingsvoorwaarden. Verzocht wordt te volstaan met een straf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten aanzien van het opleggen van een contactverbod met de medeverdachten als bijzondere voorwaarde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport van de Raad en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De bijdrage van de verdachte aan het ernstige geweld dat is gepleegd, heeft bestaan uit het slaan, schoppen en het steken met een mes. Twee aangevers hebben meerdere steekwonden opgelopen aan hun armen en schouderblad. Hoewel het letsel relatief beperkt is gebleven, is dat niet te danken aan het handelen van de verdachte. Het gebruiken van een mes in een chaotische situatie als een vechtpartij kan ertoe leiden dat een slachtoffer ernstig wordt verwond. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers, waarbij zij pijn en letsel hebben opgelopen. Daar komt bij dat de openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen getuige zijn geweest van de openlijke geweldpleging. Geweld in het openbaar draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 september 2024, waaruit blijkt dat aan hem in 2022 een strafbeschikking is opgelegd. Op de zitting is aan de orde gekomen dat aan de verdachte ook in 2025 een strafbeschikking is opgelegd en dat hij in maart 2025 is veroordeeld wegens overtreding van de Leerplichtwet. Gelet daarop is artikel 63 van Pro het wetboek van Strafrecht van toepassing. De verdachte is niet eerder veroordeelde voor vergelijkbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 29 januari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de voorlopige hechtenis van de verdachte op 23 oktober 2024 is geschorst onder voorwaarden en dat de verdachte hier goed aan meewerkt. Er is sprake van een positieve ontwikkeling. De verdachte heeft een adequate vrijetijdsbesteding bestaande uit werk en sport. Hoewel de verdachte uit een betrokken gezin komt, zijn de ouders vanwege het cultuur- en taalverschil niet in staat om hem te begeleiden bij activiteiten buitenshuis. In december 2025 heeft de verdachte de leerstraf Tools4U positief afgerond. Ten aanzien van de emotieregulatie van de verdachte zijn er geen zorgen. Op het moment dat de verdachte veroordeeld wordt voor de ten laste gelegde feiten, zijn hier meer zorgen over, omdat de verdachte al anderhalf jaar niets wil zeggen over zijn aandeel in de verdenkingen. Ook is het in dat geval belangrijk dat de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en beseft dat strafbaar en ongewenst handelen onacceptabel is in de samenleving. Gelet op de positieve ontwikkeling en het feit dat er op dit moment geen veranderbare risicofactoren worden gezien, wordt geen jeugdreclasseringskader geadviseerd. De mentor van school houdt goed toezicht op de verdachte en er kan indien nodig vanuit school een coach worden ingezet. Geadviseerd wordt om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ook wordt een onvoorwaardelijke werkstraf passend bevonden om de verdachte de directe gevolgen van zijn gedrag te laten ervaren.
De deskundige van Jeugdbescherming west heeft ter zitting toegelicht dat er een delictsanalyse is gemaakt toen de verdachte gedetineerd zat. De verdachte is toen open geweest en heeft het verhaal verteld dat hij ook ter zitting heeft verteld. Hoewel de ouders liefdevol en betrokken zijn, begrijpen zij de westerse samenleving niet helemaal. De verdachte moet hierdoor zelf leren op welke manier je met elkaar omgaat en dat geweld hierbij niet passend is. De leerstraf die de verdachte positief heeft afgerond heeft hieraan bijgedragen. Bij de verdachte is sprake van een positieve ontwikkeling. Daarbij is hij positief en goed in contact met de jeugdreclassering. Een contactverbod met de medeverdachten zou er mogelijk aan kunnen bijdragen dat er een extra stok achter de deur is om ervoor te zorgen dat de verdachte geen contact opneemt met hen.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met een aantal weken overschreden. De rechtbank volstaat met deze constatering, en past geen strafvermindering toe, omdat er slechts sprake is van een korte overschrijding van de redelijke termijn, die niet zodanig is dat dit vertaald moet worden in een matiging van de straf.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor openlijke geweldpleging tegen personen opgenomen een taakstraf van 40 uren, dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie. In dit geval acht de rechtbank strafverzwarend dat de openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag bij een tramhalte, waardoor verschillende personen hiervan getuige zijn geweest. Ook neemt de rechtbank als strafverzwarend mee dat de verdachte degene is geweest die heeft gestoken tijdens de vechtpartij en dat hij daarmee letsel heeft toegebracht aan de aangever(s). In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat er sprake is van een positieve ontwikkeling en dat de verdachte al geruime tijd meewerkt aan de schorsingsvoorwaarden.
Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 75 dagen, met aftrek van het voorarrest (42 dagen), waarvan 33 dagen voorwaardelijk passend en geboden. De voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd, omdat de rechtbank het van belang vindt dat de straf bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de medeverdachten opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van 60 uren aan de verdachte opleggen.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (42 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot
33 (DRIEËNDERTIG) DAGENniet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met
- [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2007;
- [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2006;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 (DERTIG) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, voorzitter,
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,
en mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.