Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
Artikel VI. Installaties en diensten
1.Voor de uitvoering van de aan het Agentschap toevertrouwde programma’s:
3.(…)
(b)De overige personeelsleden worden benoemd of ontslagen door de Directeur-Generaal, die daarbij handelt op gezag van de Raad.
(c)Al het personeel wordt aangeworven op grond van bekwaamheid, waarbij rekening wordt gehouden met een evenredige verdeling van de beschikbare plaatsen onder de onderdanen van de Lid-Staten. Benoeming, en beëindiging van dienstverband geschiedt overeenkomstig het Personeelsstatuut.
(d)Wetenschappelijke onderzoekers die geen deel uitmaken van het personeel en die speurwerk verrichten bij de instellingen van het Agentschap zijn onderworpen aan het gezag van de Directeur-Generaal en aan alle door de Raad aangenomen algemene voorschriften.
(…)”
3.Het geschil
- € 359.704,34 bruto aan achterstallig loon over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,
- € 29.726,24 bruto aan vakantiebijslag over het achterstallige loon over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,
- € 11.880,00 bruto aan ontbrekende vakantie-uren over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,
- € 17.244,16 netto aan familietoeslag over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,
- € 4.813,56 netto aan kinderbijslag voor expats over de periode van 2017 t/m 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,
4.De beoordeling
De ter beschikking gestelde arbeidskracht heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt (…).”
De arbeidskracht, die niet in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld, heeft recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt.”
De arbeidskracht, die in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld, heeft, met uitzondering van het bepaalde ten aanzien van de adequate pensioenregeling, bedoeld in het vierde lid tot en met het zesde lid, recht op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt.”
elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht”. De definitie van ‘onderneming’ in de zin van artikel 1 lid 1 sub c WOR Pro bevat dus drie facetten:
- i) het vormen van een organisatorisch verband;
- ii) het optreden in de maatschappij als zelfstandige eenheid; en
- iii) het krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verrichten in de onderneming.
staff members” in de zin van artikel XVI van Bijlage I van het ESA-Verdrag) benoemd door de Directeur-Generaal. Tussen partijen is niet in geschil dat ESA-personeelsleden niet krachtens arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW Pro arbeid verrichten, zodat ter beoordeling voorligt of zij krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid verrichten.
Stb.1995, 231). De achterliggende gedachte daarvan was dat de overheid zoveel mogelijk aan dezelfde medezeggenschapsregels dient te worden onderworpen als de marktsector. In de Memorie van Toelichting (
Kamerstukken II, 1993/94, 23 551, nr. 3, p. 2 en 10) is hierover onder meer het volgende opgemerkt:
Thans heeft de opvatting post gevat dat de bijzondere positie van de overheid als werkgever niet zonder meer een rechtvaardiging is voor een van de marktsector afwijkende regeling. Dit heeft tot gevolg dat het stelsel van arbeidsverhoudingen bij de overheid steeds meer van een gelijkwaardige positie van werkgever(s) en werknemersorganisaties uitgaat en zich steeds meer richting marktsector ontwikkelt. Geheel in de lijn van deze ontwikkeling past het streven naar een marktconforme medezeggenschap bij de overheid, hetgeen inhoudt dat de medezeggenschap bij de overheid zo volledig mogelijk moet aansluiten bij die van de marktsector, tenzij de bijzondere positie van de overheid als werkgever tot afwijking noodzaakt en dat voor de overheid, conform de marktsector, één wettelijke medezeggenschapsregeling van kracht moet zijn.
of krachtens publiekrechtelijke aanstelling” toegevoegd aan artikel 1 lid 1 sub c WOR Pro. Volgens de Memorie van Toelichting brengt dit mee dat een organisatorisch samenwerkingsverband, zoals een ministerie, een gemeente, een provincie en een waterschap als een ‘onderneming’ in de zin van de WOR kunnen worden aangemerkt waarvoor een ondernemingsraad kan worden ingesteld. Dit geldt ook voor andere samenwerkingsverbanden bij de overheid die zich naar buiten als een zelfstandige eenheid presenteren, zoals bijvoorbeeld het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, de Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringen, een gemeentelijke sociale dienst en een dienst gemeentewerken (
Kamerstukken II, 1993/94, 23 551, nr. 3, p. 3).
1. Ambtenaar in den zin deze wet is hij, die is aangesteld in openbaren dienst om hier te lande werkzaam te zijn.