ECLI:NL:RBDHA:2026:3194

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/09/670492 / FA RK 24-5587
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:141 BWArt. 1:157 lid 6 BWWet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met partneralimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden met periodiek verrekenbeding

Partijen zijn gehuwd sinds 1999 onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap en een periodiek verrekenbeding. De vrouw verzoekt echtscheiding met partneralimentatie en verdeling van het vermogen. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst het verzoek tot echtscheiding toe.

De behoefte van de vrouw aan partneralimentatie wordt vastgesteld op €1.982 netto per maand, gebaseerd op een berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man en haar aanvullende behoefte vanwege medische beperkingen. De draagkracht van de man wordt berekend op €653 per maand, rekening houdend met zijn winst uit onderneming en contante betalingen aan de vrouw.

De rechtbank oordeelt dat partijen het periodiek verrekenbeding niet hebben uitgevoerd en dat het aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit overgespaard inkomen. De woning wordt toegewezen aan de man onder voorwaarden, met taxatie en mogelijkheid tot overname of verkoop. Verder worden taxaties van bedrijfspanden, voorraad, bankrekeningen en auto gelast. De zaak wordt pro forma aangehouden voor verdere afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld op €653 per maand, en afwikkeling huwelijkse voorwaarden met taxaties en verdeling van vermogen gelast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5587 (echtscheiding) en FA RK 24-8567 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/670492 (echtscheiding) en C/09/676454 (verdeling)
Datum beschikking: 19 januari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 2 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Vellekoop in Honselersdijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Dorhout in Egmond aan den Hoef.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man;
  • het verweer van de vrouw tegen de zelfstandige verzoeken van de man;
  • het bericht met bijlagen van 22 mei 2025 van de man;
  • het bericht met bijlage van 18 november 2025 van de man;
  • het bericht met bijlagen van 12 december 2025 van de vrouw.
Op 22 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.
Van de zijde van de man zijn pleitnoties overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 1999 in [plaats] .
  • De kinderen van partijen zijn inmiddels meerderjarig.
  • Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap met een periodiek verrekenbeding.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorziening tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Partneralimentatie
Behoefte
De behoefte is tussen partijen in geschil. De vrouw stelt dat zij gemiddeld € 500,- per week (contant) ontving van de man voor de betaling van de vaste lasten en de betaling van de boodschappen, zoals volgt uit de overgelegde productie 14. Daarnaast betaalde de man
€ 800,- per maand aan overige vaste lasten. De vrouw had zelf tijdens het huwelijk geen inkomen. Op basis van de stukken is het volgens de vrouw niet mogelijk om een alimentatieberekening te maken, waardoor het netto besteedbaar inkomen van de man moet worden berekend op basis van de bovenstaande bedragen. De vrouw begroot het netto inkomen van de man op € 2.166,67 per maand (€ 500,- per week + € 800,- per maand). Haar behoefte is 60% daarvan € 1.780,- wat bruto € 3.217,- is.
De man voert hiertegen verweer. Volgens hem ontvangt de vrouw sinds januari 2023 nog een bedrag van € 100,- per week omdat de man geen inkomen heeft en dit uit zijn vermogen moet voldoen.
De rechtbank overweegt dat de man de door de vrouw gestelde behoefte onvoldoende heeft betwist. De vrouw heeft met de transcripties van de gesprekken voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van het huwelijk € 500,- per week ontving van de man. De man stelt zich op het standpunt dat deze gesprekken valselijk zijn en geknipt en geplakt zijn, maar daar ziet de rechtbank geen enkele aanwijzing voor. De rechtbank sluit daarom aan bij de behoefteberekening van de vrouw. Volgens die berekening bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man (500 x 4,33 + 800 =) € 2.965,- per maand in 2024.
De rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2024-II en overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft in januari 2023 de scheidingsmelding gedaan maar partijen hebben daarna wel nog allebei in de echtelijke woning gewoond. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend, te weten 2 juli 2024.
De huwelijksgerelateerde behoefte wordt vervolgens overeenkomstig de hofnorm vastgesteld op 60% van het NBGI, te weten € 1.779,- netto per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte € 1.982,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de vrouw (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
De vrouw voert in dit kader aan dat zij geen inkomen heeft. Doordat zij in 2015 borstkanker heeft gehad heeft ze zenuwschade opgelopen aan de handen, voeten en stuitje waardoor zij niet in staat is om te werken. De vrouw heeft dit onderbouwd met een brief van de anesthesioloog. De man voert verweer, en stelt zich op het standpunt dat de vrouw volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. De vrouw zou inkomsten genereren door het maken van kleding, tassen, gordijnen en trouwjurken voor anderen. Deze inkomsten heeft de vrouw nooit opgegeven bij de Belastingdienst en betreffen dus netto-inkomsten. De man schat deze inkomsten op € 500,- per maand.
De rechtbank overweegt dat er tussen partijen sprake was van een traditioneel huwelijk. De vrouw heeft gedurende het huwelijk de zorg voor de kinderen gedragen. Zij heeft niet gewerkt en heeft geen opleiding gevolgd. Uit de overgelegde stukken blijkt daarnaast dat de vrouw een medisch traject heeft doorlopen en daar restschade aan heeft overgehouden. Dit beperkt haar in het verrichten van betaald werk. De rechtbank gaat dus voorbij aan het standpunt van de man en stelt vast dat de vrouw wel behoeftig is. De netto aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dus € 1.982,- per maand. Gebruteerd is dit € 2.952,- per maand.
Draagkracht van de man
Tussen partijen is in geschil van welke inkomensgegevens moet worden uitgegaan bij het berekenen van de draagkracht van de man.
De vrouw stelt dat de dat uit de jaarstukken van 2020 tot en met 2023 volgt dat de man ieder jaar een negatief bedrijfsresultaat heeft behaald. De vrouw kan dit niet rijmen met de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Zo gingen partijen wekelijks uiteten, vaak op vakantie en woonde zij in een royale koopwoning. Volgens de vrouw is er dan ook sprake van inkomsten buiten de boekhouding om. De vrouw heeft het vermoeden dat de bedrijfsvoering en de in- en verkoop van de auto’s loopt via de eenmanszaak van de zoon van partijen – de Bandenspecialist – om zo de inkomsten te drukken van de man. Daarnaast heeft de vrouw tijdens het huwelijk altijd contant geld ontvangen van de man waardoor zij weet dat er contant geld in omloop is binnen het bedrijf.
De man voert verweer. Hij betwist de stellingen van de vrouw dat er sprake zou zijn van contant geld of dat inkomsten lopen via de eenmanszaak van de zoon van partijen. De man stelt zich op het standpunt – onder verwijzing naar de jaarcijfers van de jaren 2020 tot en met 2023 – dat zijn bedrijf al jaren verliesgevend is. In 2020 was er sprake van een verlies van € 20.615, in 2021 van € 3.833, in 2022 van € 6.281 en in 2023 een verlies van € 5.841,-.
Daarnaast stelt de man dat hij in 2008 een hersenbloeding heeft gehad en sindsdien zijn arbeidscapaciteit aanzienlijk is verminderd. Gelet op het bovenstaande heeft de man geen draagkracht om partneralimentatie aan de vrouw te betalen.
De rechtbank stelt voorop dat de jaarstukken van de eenmanszaak van de man al jaren een verliesgevend resultaat laten zien. Uit de overgelegde transcripties volgt evenwel dat er in het bedrijf van de man veel contact werd afgerekend. constateert dat de bedrijfsvoering van de man al jaren verliesgevend is. Anderzijds is er in 2024 een positief bedrijfsresultaat behaald van € 16.742,-. Verder constateert de rechtbank dat de man handelt in tweede hands auto’s en dat de verkoop veelal contant werd afgerekend. De verkoop van tweede hands auto’s blijkt genoegzaam uit de overgelegde (internet) advertenties en dat er veel contant werd afgerekend blijkt uit de overgelegde transcripties van de audio opnamen producties 19-20) (
“ [de man] : Hoeveel stortte ik naar [naam] ….naaar uhh….bracht jij voor mij naar de bank naar de RABO BANK elke week. 6 duizend, 8 duizend 10 duizend, zulke stappen. Ik ben blij dat ik dat al drie jaar niet doe (..)”(..) [de man] : Eerlijk spelen je speelt je hele leven niet eerlijk en nu wil je eerlijk spelen. (..) Ik wil eerlijk spelen, dan had je al die jaren moeten zeggen luister [de man] . Ik pak geen zwart geld aan. Ik wil alleen maar over de bank, ik wil niets zo in mijn handen. (..)” “ [de man] : Mama krijgt elke week 500, dat is 2200 euro…”. De rechtbank ziet in al deze omstandigheden aanleiding om uit te gaan van bedrijfsresultaat uit 2024 aan winst uit onderneming. De rechtbank zal dit bedrag aanvullen met een bedrag van € 2.165,- per maand aan netto-inkomsten, te weten € 500,- per week aan contant geld die de man gewoonlijk aan de vrouw werd betaald (500 x 4 x 13/12).
De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat hij vanwege zijn medische beperkingen een verminderde draagkracht heeft, nu de man dit volstrekt niet heeft onderbouwd.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale kortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 3.505,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 1.088,- per maand. Hiervoor is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 653,- per maand. De man heeft dus een draagkracht van € 653,- per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum van de partneralimentatie vaststellen op de datum van de beschikking.
Conclusie en ingangsdatum
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vaststellen op € 653,- per maand. De rechtbank zal op grond van artikel 1:157 lid 6 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de partneralimentatie vaststellen met ingang van de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Aanhechten beschikking
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
Partijen hebben op 3 december 1999 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, waarin zij iedere gemeenschap van goederen hebben uitgesloten. De huwelijkse voorwaarden bevatten verder een periodiek verrekenbeding.
Periodiek verrekenbeding
De voor zover van belang zijnde artikelen van de huwelijkse voorwaarden luiden als volgt:
Kosten huishouding
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden gedragen naar evenredigheid van de inkomens van de echtgenoten. Voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, worden onder meer verstaan de uitgaven voor huisvesting, voeding en kleding, de kosten van verzorging en opvoeding van de gezamenlijke kinderen alsmede van de kinderen die met beider toestemming in het gezin zijn opgenomen, de kosten van ontwikkeling en ontspanning van de gezinsleden en de belastingen geheven over het inkomen (uitgezonderd belastingen geheven over de winst die wordt behaald met het geel of gedeeltelijk staken van een onderneming en over voordelen die worden behaald bij vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen) en het vermogen, alsmede de verschuldigde premie volksverzekeringen, daaronder worde niet begrepen de premies en koopsommen voor verzekeringen die recht geven op uitkering bij overlijden.
Onder inkomen wordt verstaan het begrip belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarbij het inkomen dat fiscaal wordt toegerekend aan een echtgenoot wordt geacht te behoren tot het inkomen van degen tot wiens inkomen het zou zijn gerekend indien partijen niet gehuwd waren. Echter worden niet als inkomen aangemerkt winst die wordt behaald met het geheel of gedeeltelijk staken van een onderneming en voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen.Ingeval een echtgenoot inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst inkomen is als hiervoor bedoeld.

Voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst van die onderneming inkomen is van de desbetreffende echtgenoot.

3.
De echtgenoot die meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van een andere echtgenoot. Het recht om het aldus te veel bijgedragene terug te vorderen vervalt een halfjaar na de ontbinding van het huwelijk of, in geval van scheiding van tafel en bed, een halfjaar nadat de uitspraak in krach van gewijsde is gegaan.
Verrekening van inkomen
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van lid 2 van het vorige artikel na aftrek van hetgeen daarvan is besteed als kosten van de gemeenschappelijke huishouding overblijft, onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de ander echtgenoot ten bedrage van de helft van hetgeen van het inkomen van de laatstbedoelde echtgenoot is overgebleven. Indien de echtgenoten over en weer vorderingen op elkaar krijgen, ontstaat slechts voor de echtgenoot met een hogere vordering een vordering op de andere echtgenoot ten bedrage van het verschil tussen die hogere en lagere vordering.
Het recht op het vorderen van de verrekening vervalt op het tijdstip als bedoeld in lid 3 van het artikel KOSTEN HUISHOUDING;
Indien over enig kalenderjaar geen verrekening heeft plaatsgevonden, worden bij latere verrekening de waardeveranderingen van het vermogen waarin de niet-verrekende bedragen zijn belegd, meegenomen;
Ingeval van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen prompte voldoening zullen de echtgenoten een betalingsregeling – al dan niet met zekerheidsstelling – treffen;
Geen verrekening heeft plaats:
a.
over de tijd dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;
b.
over het kalenderjaar waarin het inkomen van een echtgenoot, ten gevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is;
c.
indien een echtgenoot surseance van betaling heeft of een regeling in het kader van de Wet schuldsanering , of in staat van faillissement verkeert of verkeerd heeft. Verrekening zal na het einde van het faillissement (wederom) wel plaatshebben indien en zodra het vermogen van de desbetreffende ex-gefailleerde echtgenoot positief is;
d.
voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
Tussen partijen is in geschil of zij tijdens het huwelijk wel of niet hebben voldaan aan het hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenbeding. De man is van mening dat partijen conform hun huwelijkse voorwaarden periodiek verrekend hebben doordat de man vanaf zijn zakelijke rekening naar de en/of rekening van partijen geld heeft over gemaakt, en dat van dit geld de kosten van de huishouding werden voldaan. De vrouw is van mening dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding, en dat als gevolg daarvan de waarde van het gehele vermogen van partijen in de verrekening moet worden betrokken.
De rechtbank volgt de man niet in zijn betoog dat hij met het overhevelen van geld van de zakelijke rekening naar de privérekening kosten van de huishouding heeft voldaan. Deze overheveling is geen verrekening van overgespaard inkomen. Er is ook geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit volgt dat partijen spaargeld uit inkomen tussen beiden hebben verdeeld. De rechtbank moet er dan ook vanuit gaan dat partijen niet met elkaar hebben verrekend. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW Pro geldt dan het bewijsvermoeden waarbij wordt uitgegaan dat het aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen dat verrekend had moeten worden, te weten het overgespaard inkomen. De rechtbank overweegt dat dit alsnog bij helfte moet worden verrekend, met uitzondering van de goederen die de man en de vrouw hebben vermeld op de staat van aanbrengsten en de goederen die zij door schenking of via erfrecht hebben verkregen.
Peildatum
De rechtbank zal als peildatum voor het vaststellen van de omvang en de samenstelling van het (eventueel) te verrekenen vermogen, 5 augustus 2024, de datum van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, hanteren.
Eenvoudige gemeenschap
Partijen hebben het volgende gemeenschappelijke vermogensbestanddeel naar voren gebracht die moet worden verdeeld:
de echtelijke woning aan [adres 1] ,
de inboedel.
Ad. 1 – de echtelijke woning aan het [adres 1]
Partijen zijn gezamenlijk (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar van de echtelijke woning aan de [adres 1] . Op de echtelijke woning rust per 5 januari 2024. een hypothecaire geldlening van € 191.387,-.
Partijen zijn het erover eens dat de woning zal worden toegedeeld aan de man onder verplichting om de hypothecaire geldlening voor zijn rekening te nemen. Aangezien partijen het niet eens zijn over de waarde van de woning, moet de woning worden getaxeerd. De vrouw heeft daartoe drie makelaar-taxateurs voorgesteld waaruit de man er één kon kiezen. Op de zitting is gebleken dat er geen overeenstemming meer bestaat over de makelaar-taxateur. De rechtbank zal daarom bepalen dat de echtelijke woning zal worden getaxeerd door [makelaar] . De kosten van de taxatie moeten bij helfte worden gedeeld en de taxatie zal bindend zijn tussen partijen.
De rechtbank zal bepalen dat de man twee maanden de tijd krijgt om te onderzoeken of hij het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning kan overnemen, en de vrouw kan ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Mocht de man niet in staat zijn de woning over te nemen dan zal de woning verkocht worden. De rechtbank zal in het dictum een spoorboekje opnemen.
Vergoedingsrecht
De man stelt zich op het standpunt dat hij een bedrag van ƒ 59.500,- uit privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd. ƒ 50.000,- is in een premiedepot gegaan en met de rest is er een dakkapel en aanbouw gefinancierd. De vrouw heeft dit betwist.
De rechtbank stelt vast dat de man zijn betoog op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Hij heeft een stuk overgelegd waaruit de verkoopsom van de woning volgt en een brief van de Rabobank van 2 december 1999. Er blijkt geen betaling uit noch waarvandaan deze betaling afkomstig is. De rechtbank gaat daarom aan het standpunt van de man voorbij.
Ad. 2 – de inboedel
Op de zitting is gebleken dat de inboedel reeds afgewikkeld is. De rechtbank zal daarom vaststellen dat er niets meer te verdelen valt.
Te verrekenen vermogen
Omvang
Partijen hebben in deze procedure de volgende vermogensbestanddelen gesteld die (eventueel) bij de verrekening dienen te worden betrokken:
de eenmanszaak [eenmanszaak] ,
het saldi op de bank- en spaarrekeningen,
de inhoud van de kluis gelegen in de echtelijke woning,
e auto van het merk Nissan Pixo met kenteken [kenteken] ,
de sloep van het merk Admiral Boats 450
levensverzekering bij Nationale-Nederlanden met polisnummer [polisnummer] .
De rechtbank stelt voorop dat zij geen enkele informatie heeft over de waarde van de vermogensbestanddelen. Zo heeft zij geen informatie over de saldi van de bankrekeningen per peildatum, de inhoud van de kluis of de waarde van de Nissan Pixo. De rechtbank kan daarom geen afwikkeling van het vermogen voorstellen en zal zich daarom beperken tot het opnoemen van de bestanddelen die daartoe onderdeel uitmaken.
Ad. a – de eenmanszaak [eenmanszaak]
Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen betreft de eenmanszaak van de man en dan met name de vraag of de bedrijfspanden aan [adres 2] zijn gevoed met overgespaard inkomen. Ten aanzien van deze vermogensbestanddelen gaat de rechtbank ook uit van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW Pro, tenzij de man hiertoe voldoende tegenbewijs heeft geleverd.
De man verwijst naar het financiële overzicht dat hij als productie 5 heeft overgelegd. Hij stelt zich op het standpunt dat het onroerend goed is gekocht voorafgaand aan het huwelijk. De gemeente Den Haag heeft de man uitgekocht voor ƒ 260.000 vanwege de plek waar de eenmanszaak toentertijd zat. Van dit bedrag samen met een lening van familie van ƒ 107.200 en een lening van de Rabobank heeft de man vier bedrijfspanden gekocht aan [adres 2] . De lening bij de familie is volgens de man eind 1998 afgelost met de opbrengst van de auto en de stacaravan. Daarna zijn de bedrijfspanden aan de [adres 3] gekocht. In 2015 zijn de laatst genoemde panden verkocht aan een derde voor € 249.600,-. De man stelt met dit bedrag de resterende hypothecaire geldlening op de bedrijfspanden te hebben afgelost waarna een bedrag resteerde van € 88.010,-. Dit bedrag zou de man op de gezamenlijke bankrekening van partijen hebben gestort waardoor hij nu een vergoedingsrecht heeft ter waarde van de helft van € 88.010,-.
De vrouw voert verweer. Zij stelt dat het onduidelijk is hoe de aankoop van de bedrijfspanden aan [adres 2] [adres 3] en de aflossingen daarop zijn gefinancierd. De man heeft zijn stellingen niet onderbouwd waardoor het onduidelijk is of er tijdens het huwelijk is afgelost met overgespaard inkomen. Daarnaast heeft de man niet aangetoond dat een bedrag van € 88.010,- op de gezamenlijke bankrekening is gestort.
De rechtbank stelt op basis van de overgelegde notariële aktes (productie 3 en 4 bij verweerschrift van de man) vast dat de man de bedrijfspanden [adres 2] , [adres 3] in 1998 heeft geleverd gekregen voor de koopsom van ƒ 650.000.
De man heeft een hypothecaire geldlening van ƒ 450.000 afgesloten bij de Rabobank en bij [beheermaatschappij] van ƒ 260.000.
Verder overweegt de rechtbank dat zij geen inzage heeft in de financieringsvoorwaarden. De man stelt dat hij ook een lening zou hebben bij familie van ƒ 107.200,- maar ook hiervan zijn geen stukken overgelegd. De stelling van de man dat hij de lening bij familie heeft afgelost met het geld uit de verkoop van de auto en stacaravan is onjuist omdat de caravan nog in bezit was van partijen ten tijde van het huwelijk. Dit blijkt uit door de vrouw overgelegde foto’s en de man heeft dit ook erkend. Daarnaast is geen van de stellingen van de man met stukken onderbouwd.
De man heeft in 2015 drie bedrijfspanden ( [adres 3] ) verkocht en heeft hier naar verluid € 249.600,- voor ontvangen, maar ook deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast zou de man de volledige hypotheek bij de Rabobank hebben afgelost. Ook hiervan zijn geen stukken overgelegd. Volgens productie 5 zou in 2005 een hypotheek bij de Rabobank resteren van € 51.292 na aflossing van een bedrag van € 2.953 in dat jaar. De rechtbank leidt hieruit af dat anders dan de man stelt niet de hele hypotheek bij de Rabobank is afgelost.
Gelet op onjuiste en diffuse voorstelling van zaken door de man, moet de rechtbank het ervoor houden dat de aflossingen op de hypotheekschuld deels met overgespaard inkomen zijn gefinancierd. Dit betekent dat de bedrijfspanden aan [adres 2] deels zijn gefinancierd met overgespaard inkomen en in de vermogens opstelling moeten worden betrokken. Deze bedrijfspanden moeten getaxeerd worden per peildatum van 5 augustus 2024. Partijen dienen deze taxatie mee te nemen in de vermogensopstelling. In deze vermogensopstelling hoort ook de zakelijke rekening van de eenmanszaak van de man en de op dat moment aanwezige inventaris en voorraden (waaronder de auto’s). De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen deze taxaties te laten verrichten.
Ad. b – de saldi op de bank- en spaarrekeningen
Partijen hebben – zoals hierboven aangegeven – op geen enkele manier inzicht gegeven in de saldi op de bank- en spaarrekeningen per peildatum. Zij dienen binnen drie maanden de afschriften hiervan te overleggen en te betrekken in de vermogensopstelling.
Ad. c – de inhoud van de kluis gelegen in de echtelijke woning
De rechtbank overweegt dat de inhoud van de kluis per peildatum onbekend is, en nu niet meer kan worden vastgesteld. De inhoud hiervan kan dus niet in de verrekening betrokken worden.
Ad. d - de auto van het merk Nissan Pixo met kenteken [kenteken]
De man stelt dat de auto van hem is en hoort tot de bedrijfsvoorraad van de eenmanszaak. De vrouw voert verweer. Voor zover de auto tot de bedrijfsvoorraad van de onderneming van de man behoort, moet deze per peildatum worden gewaardeerd en in de vermogensopstelling van de man worden opgenomen.
Ad. e – de sloep van het merk Admiral Boats 450
De rechtbank stelt vast dat de sloep in december 2023 is verkocht en geleverd aan een derde. Op de peildatum was er dus geen sloep meer aanwezig waarvan de waarde in de verrekening moet worden betrokken.
Ad f – Levensverzekering Nationale NederlandenDeze polis is volgens de man in 2021 beeindigd en uitgekeerd. De vrouw heeft dit niet betwist. De rechtbank moet er daarom vanuit gaan dat deze polis per peildatum geen vermogensbestanddeel betreft die in de afwikkeling moet worden betrokken.
Vergoedingsrecht kosten huishouding
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft van de helft van € 88.010 op grond van artikel 3 huwelijksvoorwaarden Pro. Volgens de man heeft hij na verkoop van de bedrijfspanden aan de [adres 3] de hypotheek afgelost en het restant van de verkoopopbrengst van € 88.010 op de gezamenlijke bankrekening van partijen gestort. Hiervan zijn kosten huishouding voldaan. De vrouw betwist dit.
De man heeft zijn stelling met geen enkel stuk onderbouwd. De door hem vervaardigde Excel sheet (productie 5) bevat feitelijke onjuistheden en ook niet met bewijsstukken gestaafd. De rechtbank gaat daarom aan dit standpunt van de man voorbij.
Slotsom
Partijen dienen een vermogensopstelling te maken en die voorzien van onderliggende stukken, waaronder taxatierapporten, aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank zal de zaak hiervoor pro forma aanhouden tot 1 mei 2025. Partijen kunnen vervolgens uiterlijk 1 juni 2025 op elkaars stukken en vermogensopstelling reageren. De rechtbank zal de zaak vervolgens op de stukken afdoen, tenzij zij aanleiding ziet om nog een mondelinge behandeling te gelasten.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1999 in [plaats] ;
*
bepaalt de door de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, te betalen partneralimentatie op € 653,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap als volgt vast, onder voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- met betrekking tot de woning, gelegen aan het [adres 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de woning wordt getaxeerd door [makelaar] . Partijen verstrekken binnen twee weken na de beschikking een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b. de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d. de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper, voldaan;
e. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b. de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning
- met betrekking tot de inboedel dat er niets meer te verdelen valt;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
gelast de man de volgende stukken over te leggen:
  • een taxatierapport van de waarde van de bedrijfspanden aan de [adres 2] per peildatum (5 augustus 2024) en de eventueel daarop rustende hypothecaire leningen per peildatum;
  • een taxatierapport van de waarde van de voorraad en inventaris van de eenmanszaak van de man [eenmanszaak] per peildatum (5 augustus 2024);
  • saldi van de bankrekeningen per peildatum 5 augustus 2024:
*ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 1] ;
*Rabobank eindigend op [rekeningnummer 2] ;
*Rabobank eindigend op [rekeningnummer 3] ;
*Rabobank eindigend op [rekeningnummer 4] ( [eenmanszaak] )
- een taxatierapport van de waarde van de auto Nissan Pixo met kenteken [kenteken] per peildatum (5 augustus 2024);
de vrouw:
- de banksaldi per peildatum;
* ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 5]
* ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 6]
gelast partijen deze stukken – voorzien van een vermogensopstelling –
uiterlijk op 1 mei 2026in het geding brengen;
*
bepaalt dat partijen in de gelegenheid worden gesteld om
uiterlijk op 1 juni 2026op deze elkaars stukken te reageren;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaardenaan tot
1 juni 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 januari 2026.
Partij
Man (670492)
Zaak
Man (670492) / Vrouw (670492)
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2024-1
Datum uitdraai
15-01-2026
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.362
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.362
jaar
Partij
Vrouw (670492)
Zaak
Man (670492) / Vrouw (670492)
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2024-1
Datum uitdraai
15-01-2026
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.362
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.362
jaar
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Man (670492)
2.965
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
2.965
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
2.965
Saldo
2.965
Netto behoefte obv 60%
1.779
Netto behoefte
1.779
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2026
Netto behoefte geïndexeerd
1.982
Partij
Man (670492)
Zaak
Man (670492) / Vrouw (670492) (C/09/670492)
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
15-01-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
16.742
70
Winst uit onderneming
16.742
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
1.2
- Zelfstandigenaftrek
1.2
MKB Winstvrijstelling
-
1.974
75
Belastbare winst uit onderneming
13.568
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
13.568
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
4.85
95
Inkomensheffing box 1
4.85
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
16.742
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
4.85
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.593
Inkomen na aftrek inkomensheffing
16.742
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.115
jaar
Arbeidskorting
2.478
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
13.568
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
13.568
Maximum bijdrage loon
79.412
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
79.412
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
13.568
Percentage Zvw
%
4,85
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
658
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
658
119a
Bij: Netto inkomsten
25.98
Specificaties voor post: 119a (Optellen)
500
jaar
120
Besteedbaar inkomen
42.064
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
42.064
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.505
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
42.064
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
3.505
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
3.505
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.365
123b
Woonbudget
1.052
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.417
136b
Draagkrachtruimte
1.088
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
1.088
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
653
140
Beschikbaar
653
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
653
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
653
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
653
Specificaties voor post: 144
Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen fiscaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar
7.836
jaar
Of per maand
653
maand
Partij
Vrouw (670492)
Zaak
Man (670492) / Vrouw (670492) (C/09/670492)
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
15-01-2026
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.115
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.115
jaar
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
Afwijken van de tabel?
nee
122b
Kosten van levensonderhoud
1.365
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
1.365
136b
Draagkrachtruimte
-1.365
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
-1.365
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
Specificaties voor post: 144
Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen fiscaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar
jaar
Of per maand
maand
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
1.982
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
1.982
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
Netto aanvullende behoefte
1.982
Bruto aanvullende behoefte
2.952