ECLI:NL:RBDHA:2026:3135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
09/220335-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verboden wapenbezit, bedreiging en mishandeling in Alphen aan den Rijn

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder verboden wapenbezit, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, en mishandeling. De feiten vonden plaats in Alphen aan den Rijn tussen april en juli 2025. De verdachte bedreigde meerdere personen met doodsbedreigingen, reed met hoge snelheid op een aangever af en schoot met een gaspistool knalpatronen in de richting van een ander.

De rechtbank achtte de bewijzen, waaronder verklaringen van aangevers, camerabeelden, en deskundigenrapporten over de wapens en hulzen, wettig en overtuigend. De verdachte werd vrijgesproken van poging zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs van voorwaardelijk opzet op zwaar letsel.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 281 dagen op, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling. Daarnaast werd een taakstraf van 80 uur opgelegd. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 281 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en 80 uur taakstraf voor verboden wapenbezit, bedreiging en mishandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/220335-25
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Snoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Schimmel naar voren is gebracht.
Deze zaak werd tegelijkertijd, maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 09/220709-25.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 8 april 2025 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland een of meerdere wapens van categorie I, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Ministerie van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapesn en/of met voor ontploffing bestemde voorwerpen voorhanden gehad;
2
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 1] en [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "als jullie naar de politie gaan, dan gaan wij jullie doodschieten en/of "als jullie naar de politie gaan, dan gaan wij jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij, op of omstreeks 9 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meermaals) met een (wapen)stok op het hoofd en/of bovenlichaam van [aangever 3] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 9 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, [aangever 3] heeft mishandeld, door (meermaals) met een (wapen)stok tegen de rechterarm, rechterhand en/of het gezicht van [aangever 3] te slaan en/of tegen het lichaam van [aangever 3] te prikken;
4
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals met hoge snelheid op hem is afgereden en pas op het laatste moment heeft weggestuurd, en/of op hoge snelheid uit een auto met een (wapen)stok richting [aangever 4] en/of zijn scooter heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn [aangever 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermaals met hoge snelheid op hem af te rijden en pas op het laatste moment weg te sturen;
5
hij, op of omstreeks 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, [aangever 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermaals een (knal)patroon af te schieten op korte afstand en in de richting van [aangever 5] ;
6
hij, op of omstreeks 31 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten Gaspistool, van het merk Walther, type PPQ, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een geluidsdemper, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4 van de Wet Wapens en munitie, te weten als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro de Wet Wapens en Munitie, van de categorie III te weten 13 gaspatronen van het kaliber 9mm P.A.K. voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten 1 en 6 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-025234135 in het onderzoek AKKER25, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 282).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feiten 1 en 6
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 februari 2026;
Ten aanzien van feit 1
2. Het proces-verbaal van binnentreden in woning, opgemaakt op 8 april 2025 (p. 33);
3. Het proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 15 april 2025 (p. 36-38);
4. Het proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 15 april 2025 (p. 39-40);
Ten aanzien van feit 6
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 juli 2025 (p. 231-232);
6. Het proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 31 juli 2025 (p. 166-171);
7. Het proces-verbaal Team Forensische Opsporing, Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 1 augustus 2025 (p. 235-236).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 primair, 4 subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1, 3 subsidiair en 6 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2
De rechtbank overweegt dat de verklaringen van beide aangevers op belangrijke punten met elkaar overeenkomen en dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen, mede omdat hun verklaringen worden ondersteund door de camerabeelden in het dossier. Uit de verklaringen van de aangevers volgt dat, nadat zij door de bestuurder van een donkerblauwe auto van hun fiets waren gereden, zij vervolgens door een andere, licht getinte, man met kort donker haar en gekleed in een rood trainingspak op niet mis te verstane wijze zijn bedreigd met de dood.
De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of de verdachte degene is die de bedreigingen heeft geuit. Daartoe overweegt zij het volgende.
De grijze Mercedes-Benz voorzien van het kenteken [kenteken] die, vlak na het eerste incident waarbij de aangevers zijn aangereden, in de Anna van Burenstraat werd geparkeerd, staat op naam van de moeder van de verdachte. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte veelvuldig gebruikmaakt van die auto. De persoon die vervolgens uit die auto stapt en naar de aangevers toeloopt, is beschreven door zowel beide aangevers als door de verbalisant die de camerabeelden heeft uitgekeken. De verdachte past naar het oordeel van de rechtbank goed in de gegeven signalementen. Daar komt bij dat het rode Nike Tech trainingspak dat de verdachte droeg bij de pro forma zitting van 6 november 2025 sterke gelijkenissen vertoont met het rode trainingspak dat de persoon op de beelden draagt. Beide aangevers benoemden ook specifiek dat de dader een rood trainingspak van het merk Nike Tech droeg.
De verdachte heeft ontkend dat hij die dag op de Anna van Burenstraat is geweest en dat hij de persoon op de beelden met het rode trainingspak is. Hij heeft zich voor het overige op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank overweegt dat het dossier bewijsmiddelen bevat die zodanig wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde, dat enige verklaring van de verdachte mag worden verlangd. Er mag dus meer van hem verwacht worden dan de enkele stelling dat hij het niet is geweest. De rechtbank stelt, bij gebrek aan een verdere verklaring van de verdachte, vast dat hij de bestuurder van de Mercedes en de persoon in het rode trainingspak is en dat hij de twee aangevers heeft bedreigd.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde.
3.5.2.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3
De verdachte heeft bekend dat hij de aangever heeft geslagen. Op basis van die verklaring, de aangifte en het letsel bij de aangever acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de aangever door de verdachte is mishandeld.
Op basis van het dossier en verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank echter niet tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling komen.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende informatie over de stok waarmee is geslagen en is er – buiten de letselfoto’s – onvoldoende medische informatie beschikbaar om vast te kunnen stellen dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Daarbij is voorts van belang dat de aangever zelf heeft verklaard dat hij door de verdachte niet in het gezicht is geslagen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 3 primair tenlastegelegde, en acht zij het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5.3.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4
Was de verdachte de bestuurder van de auto?
Aangever [aangever 4] heeft aangifte gedaan van het incident, wat plaatsvond in zijn privétijd. In die aangifte heeft hij een duidelijke beschrijving van het incident en een signalement van zowel de bestuurder als de bijrijder gegeven. Niet lang daarna heeft [aangever 4] , die werkzaam is als politieagent, naar aanleiding van een ander incident waarbij hij in functie betrokken was, de bestuurder herkend als zijnde de verdachte. [aangever 4] heeft daarvan vervolgens een proces-verbaal op ambtseed opgemaakt waarin hij een herkenning met grote waarschijnlijkheid van de verdachte heeft opgenomen.
Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de herkenning van de verdachte niet als bewijs kan worden gebezigd, dan wel dat er geen er geen of minder bewijskracht aan die herkenning toekomt omdat de aangever een agent in privétijd betrof, deelt de rechtbank die visie niet. De aangever is een agent die na zijn aangifte in privétijd vanuit zijn functie een ambtsedig proces-verbaal heeft opgemaakt. Derhalve is het proces-verbaal bruikbaar als bewijsmiddel en hecht de rechtbank hecht daaraan de gebruikelijke bewijskracht.
De herkenning van de verdachte door verbalisant [aangever 4] wordt bovendien verder ondersteund door het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank past de verdachte in het signalement dat door [aangever 4] is gegeven. In de aangifte, en later in het ambtsedige proces-verbaal van [aangever 4] , is het kenteken van de betrokken auto genoemd. Het gaat om kenteken [kenteken] . Dat kenteken staat op naam van de moeder van de verdachte. Die moeder heeft op 14 juli 2026 verklaard dat zij de auto eerder had uitgeleend aan de verdachte, haar zoon, en haar neefje [medeverdachte] , de medeverdachte. Verbalisant [aangever 4] heeft bij zijn herkenning niet alleen een waarschijnlijke herkenning van de verdachte gedaan, maar ook de medeverdachte [medeverdachte] met honderd procent zekerheid herkend als de bijrijder van de auto. De verdachte en de medeverdachte zijn in de betreffende periode bovendien vaker samen betrokken geweest bij geweldsfeiten, waarbij ook deze betreffende auto betrokken was. Kort na het incident is bovendien door een verbalisant op camerabeelden waargenomen dat een vergelijkbare auto zich met hoge snelheid op de route van het plaats delict richting de woning van de verdachte begaf. Slechts twintig minuten na het incident is de betrokken auto bij de woning van de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft hier op geen enkele manier een verklaring tegenover gezet, terwijl dat in deze omstandigheden wel van hem mag worden verwacht. Het gaat hier immers om feiten en omstandigheden die zodanig wijzen op de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde, dat enige verklaring van de verdachte mag worden verlangd. De enkele ontkenning van de verdachte is, gelet op de feiten en omstandigheden, daarom onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij ten tijde van het tenlastegelegde niet de bestuurder van die auto was.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bestuurder was van de auto die bij het incident betrokken was.
Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel?
Voor de vereisten van voorwaardelijk opzet verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover heeft overwogen onder 3.5.2. Het gaat kortgezegd om de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte in zijn auto meerdere malen met hoge snelheid op de aangever is afgereden, waarbij hij telkens pas op een laat moment heeft weggestuurd.
Naar het oordeel van de rechtbank is er echter onvoldoende informatie beschikbaar over de concrete gang van zaken om te kunnen beoordelen of het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt. Zo is niet bekend hoe hard de verdachte precies reed, hoe dicht hij langs de aangever ging of op welk moment hij precies wegstuurde. Gelet daarop zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 4 primair ten laste gelegde feit.
Is er sprake van bedreiging?
Dat het handelen van de verdachte wel een bedreiging vormde voor de aangever, acht de rechtbank evident. De aangever was op dat moment een kwetsbare verkeersdeelnemer en zag een auto meerdere malen met hoge snelheid op hem afkomen. Door zodanig te handelen heeft de verdachte bij de aangever de vrees veroorzaakt dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, of erger. De aangever heeft het incident ervaren als een aanslag op zijn leven, zo blijkt uit de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank was de vrees van de aangever in de omstandigheden van het geval ook een redelijke vrees. Eenieder die een auto met hoge snelheid op zich af ziet komen zonder te weten of die auto op tijd weg zal sturen, zou dat als bedreigend ervaren.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 subsidiair tenlastegelegde.
3.5.4.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5
Heeft de verdachte op de aangever geschoten?
De aangever heeft verklaard dat een voor hem onbekende man, na een kort gesprek, uit het niets een vuurwapen op hem richtte en daarbij vanaf een korte afstand meerdere schoten op hem heeft gelost. Hij hoorde de knallen, voelde druk en dook weg. De aangifte van de aangever wordt ondersteund door het feit dat er hulzen zijn aangetroffen op de plek van het incident, buurtbewoners die hebben verklaard schoten te hebben gehoord en camerabeelden waarop knallen te horen zijn, waarna een wegrennende persoon in beeld komt.
De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of de verdachte degene is die op de aangever heeft geschoten.
Het neefje van de verdachte, [medeverdachte] , is de overbuurman van de aangever en bevond zich op het moment van schieten op korte afstand van het incident. De aangever heeft verklaard dat [medeverdachte] direct na het feit tegen hem heeft gezegd dat de dader zijn neef was en noemde daarbij een naam die fonetisch op de naam van de verdachte lijkt. Op een later moment heeft [medeverdachte] tegen de aangever gezegd dat het om [de verdachte] ging
De verdachte heeft bekend dat er een gaspistool van het merk Walther, model PPQ, kaliber 9mm P.A. Knal op 31 juli 2025 bij hem thuis lag en dat hij daarvoor verantwoordelijk was (zie feit 6). Hij heeft ook verklaard dat dit wapen in ieder geval al sinds 8 april van datzelfde jaar in zijn woning lag. Hij had daarover dus ook op 12 juli de beschikking.
Na het schietincident zijn ter plaatse een aantal hulzen aangetroffen. Deze zijn onderzocht door een deskundige en bleken afkomstig van knalpatronen. Uit het opgemaakte deskundigenrapport volgt dat de aangetroffen hulzen zeer veel waarschijnlijker zijn verschoten met het gaspistool dat in de woning van de verdachte is aangetroffen, dan met een willekeurig ander wapen van hetzelfde type en dezelfde bouw.
De verdachte heeft zich ten aanzien van dit feit beroepen op zijn zwijgrecht.
De rechtbank overweegt allereerst dat de aangever [de verdachte] niet kende. Daarmee valt niet in te zien waarom hij deze naam plus de familierelatie van deze [de verdachte] met [medeverdachte] zou bedenken. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de verklaring van de aangever dat [medeverdachte] gelijk na het incident heeft gezegd dat zijn neef de dader was, dat hij later heeft gezegd dat dit [de verdachte] was, in combinatie met de onderzochte hulzen en het bij de verdachte aangetroffen wapen, het niet anders kan zijn dan dat het verdachte was die de op de aangever heeft geschoten.
Is er sprake van bedreiging?
Naar het oordeel van de rechtbank levert het afschieten van knalpatronen in de richting van een persoon in de gegeven omstandigheden evident een bedreiging op. Door zodanig te handelen heeft de verdachte bij de aangever de vrees veroorzaakt dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, of erger. Dat het ging om knalpatronen doet daar niets aan af. De aangever was daar immers niet van op de hoogte en verkeerde in de veronderstelling dat hij werd beschoten met een echt vuurwapen en de daarbij behorende munitie. De vrees om zwaar letsel op te lopen of het met de dood te bekopen, is naar het oordeel van de rechtbank in de omstandigheden van het geval ook een redelijke vrees. Eenieder die in een dergelijke situatie terecht zou komen, zou die angst ervaren.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 tenlastegelegde.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 8 april 2025 te Alphen aan den Rijn meerdere wapens van categorie I, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Ministerie van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwape
nsvoorhanden gehad;
2
hij op 3 juli 2025 te Alphen aan den Rijn [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangever 1] en [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen "als jullie naar de politie gaan, dan gaan wij jullie doodschieten en "als jullie naar de politie gaan, dan gaan wij jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op 9 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, [aangever 3] heeft mishandeld door meermaals met een stok tegen de rechterarm
enrechterhand van [aangever 3] te slaan;
4
hij op 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn [aangever 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door meermaals met hoge snelheid op hem af te rijden en pas op het laatste moment weg te sturen;
5
hij op 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, [aangever 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door meermaals een knalpatroon af te schieten op korte afstand en in de richting van [aangever 5] ;
6
hij op 31 juli 2025 te Alphen aan den Rijn, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten Gaspistool, van het merk Walther, type PPQ, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad en een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een geluidsdemper, voorhanden heeft gehad en (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4 van de Wet Wapens en munitie, te weten als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro de Wet Wapens en Munitie, van de categorie III te weten 13 gaspatronen van het kaliber 9mm P.A.K. voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 281 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling bij De Waag, een contactverbod met de aangevers, een locatieverbod voor een deel van Alphen aan den Rijn en een locatiegebod voor zijn verblijfsadres, beide met elektronische monitoring zolang de reclassering dat noodzakelijk acht en met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om in het voordeel van de verdachte rekening te houden met de beperkte hoogte van de richtlijnen voor de ten laste gelegde strafbare feiten, de ruime tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten, het blanco strafblad van de verdachte, het feit dat hij zijn leven op orde heeft en voor een aantal van de ten laste gelegde feiten ook rekenschap heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen. De raadsman heeft gelet op het voorgaande verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de raadsman opgemerkt dat het locatieverbod voor heel Alphen aan den Rijn zeer beperkend is voor de verdachte in het kader van zijn werk en het zien van zijn familie. Tevens is nergens onderbouwd waarom dat noodzakelijk is. De raadsman heeft zodoende verzocht de bijzondere voorwaarden van het locatiegebod- en verbod niet op te leggen. De verdachte is ten aanzien van de overige bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd bereid zich daaraan te houden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van drie vuurwapens of daarop gelijkende voorwerpen, bijbehorende munitie en één geluidsdemper. Voorts heeft hij twee minderjarige jongens verbaal bedreigd met de dood, een ander bedreigd door meerdere malen met hoge snelheid op hem in te rijden met zijn auto en weer en ander bedreigd door van een korte afstand met een gaspistool knalpatronen op hem af te vuren. Ten slotte heeft de verdachte zijn ex-stiefvader mishandeld door hem meerdere malen te slaan met een stok.
Het gaat hier om ernstige (gewelds)feiten. De verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van anderen en daar een ernstige inbreuk op gemaakt. Hij heeft zich laten leiden door boosheid, wraakgevoelens en loyaliteit naar zijn familieleden, maar heeft daarbij geen enkel oog gehad voor de impact van zijn handelen op de slachtoffers. Het baart de rechtbank zorgen dat de verdachte met ogenschijnlijk gemak over gaat tot geweld, zonder directe aanleiding. Verder merkt de rechtbank op de dat de verdachte nauwelijks verantwoordelijkheid neemt voor en/of inzicht toont in zijn handelen. Uit de verklaringen van de slachtoffers in het dossier blijkt ook hoezeer zij zijn geschrokken en wat voor impact het op hen heeft gehad. Bovendien vonden alle feiten plaats in de openbare ruimte en waren er in bijna alle gevallen ook omstanders aanwezig. Ook zij zullen mogelijk nog langere tijd het gevoel hebben dat zij op straat op hun hoede moeten zijn voor onverwachte en gevaarlijke situaties. De verdachte heeft daarmee niet alleen schade aangericht bij de slachtoffers, maar ook bijgedragen aan algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie een onaanvaardbaar risico oplevert voor de veiligheid van personen, hetgeen eveneens leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dat risico voor de veiligheid van personen blijkt eens te meer uit het feit dat de verdachte met een van de bij hem aangetroffen vuurwapens ook daadwerkelijk heeft geschoten op een van de aangevers.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 januari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank acht het des te zorgelijker dat de verdachte zich binnen een zeer korte periode plotseling schuldig heeft gemaakt aan meerdere (ernstige) geweldsfeiten en wapenbezit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 december 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. Er is een beeld ontstaan van iemand die zelfbeschermend en controlerend functioneert. De behoefte aan controle, het niet verplaatsen in een ander, het gebrek aan vertrouwen in de ander en moeite met autoriteit kunnen duiden op persoonlijkheidsproblematiek. De reclassering ziet verder risico in de huisvesting van de verdachte, nu alle feiten hebben plaatsgevonden in zijn woonplaats. Tevens ziet de reclassering risico’s in het contact met zijn neef, vrienden en ex-stiefvader. Positief is dat de verdachte heeft aangegeven mee te willen werken aan de aan hem opgelegde voorwaarden, dat hij na detentie zijn baan weer wil oppakken en dat hij financieel stabiel is. De reclassering schat het recidiverisico (met kans op letsel voor anderen) in als hoog.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte het volwassenenstrafrecht toe te passen en aan hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, verplichte ambulante behandeling, een contactverbod met de aangevers en de medeverdachte en een locatieverbod voor Alphen aan den Rijn en locatiegebod voor het verblijfadres van de verdachte, beide met elektronische monitoring. De reclassering adviseert tevens alle bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.
Ter terechtzitting heeft de verdachte ten aanzien van de mishandeling van zijn ex-stiefvader blijk gegeven te erkennen dat hij dingen heeft gedaan die niet door de beugel konden en dat hij niet de juiste oplossingen voor zijn frustraties heeft aangewend. Hij ontkent echter psychische problemen te hebben of heel agressief te zijn. Hij heeft daar zelf geen last van en ziet niet in waarom hij een gevaar zou zijn. De verdachte wordt door de politie omschreven als onberekenbaar persoon, maar hij ziet zichzelf niet zo.
Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier volgt eveneens dat de verdachte een bewogen jeugd heeft gehad met veel problemen in de familiesfeer. Een deel van die problemen waren ook de directe aanleiding van de onder 3 bewezen verklaarde mishandeling. Dergelijke problemen in de jeugd kunnen ook in het volwassen leven doorwerken en invloed hebben op hoe iemand omgaat met moeilijke situaties. De reclassering acht het ook tegen die achtergrond van belang dat de verdachte aan de slag gaat met een behandelaar.
De op te leggen straf
De rechtbank gaat bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat uit van het ernstigste feit, te weten de bedreiging met het vuurwapen. In de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting staat als uitgangspunt voor bedreiging door middel van het tonen van een vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden vermeld.
In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte niet alleen het wapen heeft getoond, maar daar ook daadwerkelijk mee heeft geschoten zonder dat daar een aanwijsbare aanleiding voor was. De rechtbank vindt dit aspect bijzonder schokkend en tilt daar zwaar aan. Dat het ging om knalpatronen en niet om kogels doet daar geenszins aan af. Voorts weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat hij zich binnen een korte tijd schuldig heeft gemaakt aan meerdere (ernstige) geweldsfeiten, meerdere instanties van verboden wapenbezit en hier op geen enkele manier verantwoordelijkheid voor lijkt te willen nemen. Tot slot houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van de verdachte, die 19 jaar was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals hiervoor beschreven, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Vanwege de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde acht de rechtbank een strak toezichtskader met een lange proeftijd geïndiceerd.
De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 281 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de medeverdachte en de aangevers, een meldplicht en verplichte ambulante behandeling. Deze proeftijd is langer dan de gebruikelijke proeftijd van 2 jaren en legt de rechtbank op omdat zij het zorgelijk vindt dat de verdachte op zo’n jonge leeftijd, in zo’n korte tijd tot ernstige geweldsfeiten is over gegaan. Een langere proeftijd om de kans op recidive terug te dringen en de verdachte te begeleiden acht de rechtbank daarom noodzakelijk. Voor het opleggen van een locatieverbod en/of locatiegebod met monitoring middels een enkelband, ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat de verdachte onder toezicht staat van de reclassering en hij zich in de tussentijd ook niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, of contact heeft opgenomen met de slachtoffers. Bovendien is de verdachte woonachtig in de gemeente Alphen aan de Rijn en moet het hem niet onmogelijk worden gemaakt om zijn normale leven te hervatten.
In aanvulling daarop acht de rechtbank ook een taakstraf van 80 uren passend en geboden, te vervangen door 40 uren hechtenis wanneer die taakstraf niet, niet geheel of niet naar behoren wordt uitgevoerd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere misdrijven die zijn gericht tegen en/of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] , [aangever 4] en [aangever 5] .
Gelet op het feit dat het gaat om verschillende geweldsfeiten binnen een korte periode en de kans op recidive (met letsel voor anderen) door de reclassering wordt ingeschat als hoog, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij

7.1
De vordering
[aangever 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 60,72 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleitte vrijspraak voor feit 4.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering vanwege onvoldoende onderbouwing om vast te kunnen stellen hoe groot de daadwerkelijke schade was en of die schade een rechtstreeks gevolg is geweest van het ten laste gelegde feit.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde feit. De verdachte heeft de scooter van de benadeelde partij immers niet met zijn auto geraakt bij het voorbijrijden en de benadeelde partij is daardoor ook niet ten val gekomen. De schade aan zijn scooter moet daarom op een andere manier zijn ontstaan.
Gelet op de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn vordering, zal de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van feit 3, subsidiair:
mishandeling;
ten aanzien van feit 4, subsidiair:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
ten aanzien van feit 5:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
ten aanzien van feit 6:
de eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, het handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
281 (tweehonderdeenentachtig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
120 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, [aangever 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012, [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2012, [aangever 3] , geboren op [geboortedatum 5] 1981, [aangever 4] , geboren op [geboortedatum 6] 1994 en [aangever 5] , geboren op [geboortedatum 7] 1973, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich meldt bij Reclassering Nederland en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan procesdiagnostiek in de vorm van een delict analyse en zich onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
80 (tachtig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
40 (veertig) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 4] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2026.