ECLI:NL:RBDHA:2026:3131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
09/220709-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling en medeplegen mishandeling in Alphen aan den Rijn

De rechtbank Den Haag heeft op 18 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 2007, die werd verdacht van meerdere geweldsdelicten gepleegd in juli 2025 in Alphen aan den Rijn. De tenlastelegging omvatte poging tot zware mishandeling met een auto, mishandeling met een gebalde vuist, medeplegen van mishandeling met een stok en medeplegen van poging tot zware mishandeling met een stok uit een rijdende auto.

Na onderzoek en behandeling ter terechtzitting op 4 februari 2026, oordeelde de rechtbank dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan poging tot zware mishandeling, mishandeling, medeplegen van mishandeling en medeplegen van poging tot zware mishandeling. Voor één poging tot zware mishandeling werd de verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank motiveerde uitgebreid het voorwaardelijk opzet en de nauwe samenwerking met een medeverdachte.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 131 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 80 uur. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op, waaronder meldplicht, contactverbod en behandeling. Tevens werd een schadevergoeding van €60,72 aan een benadeelde partij toegewezen, terwijl een andere vordering werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding aan de Staat met wettelijke rente en proceskosten.

De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers en omstanders, en het risico op recidive. De straf is mede gebaseerd op landelijke oriëntatiepunten en het advies van de reclassering, die een gemiddeld recidiverisico en agressieregulatieproblematiek signaleerde. De verdachte is jong en heeft een problematisch sociaal netwerk, wat meeweegt in de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 131 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en 80 uur taakstraf voor poging tot zware mishandeling, mishandeling en medeplegen mishandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/220709-25
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] ,
verblijfadres: [adres]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 4 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Snoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. F.M. IJsseldijk naar voren is gebracht.
Deze zaak werd tegelijkertijd, maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 09/220335-25.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] en [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een auto op hoge snelheid op hen is ingereden en/of hen ten val heeft gebracht en/of (vervolgens) met een auto op hoge snelheid op hen is afgereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Alphen aan den Rijn [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, doormet een auto op hoge snelheid op hen in te rijden en/of hen ten val te brengen en/of (vervolgens) met een auto op hoge snelheid op hen af te rijden;
2
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te Alphen aan den Rijn [aangever 2] heeft mishandeld, door meermaals althans eenmaal met een gebalde vuist in het gezicht en/of op het lichaam van die [aangever 2] te slaan;
3
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meermaals) met een (wapen)stok op het hoofd en/of bovenlichaam van [aangever 3] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [aangever 3] heeft mishandeld door meermaals althans eenmaal met een (wapen)stok tegen de rechterarm, rechterhand en/of het gezicht van [aangever 3] te slaan en/of tegen het lichaam van [aangever 3] te prikken;
4
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 4]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals met hoge snelheid op hem is afgereden en pas op het laatste moment heeft weggestuurd, en/of op hoge snelheid uit een auto met een (wapen)stok richting [aangever 4] en/of zijn scooter heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 4] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van al het tenlastegelegde bepleit.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en 2
Feit 1
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte met zijn auto tegen de aangevers is aangereden. Hij heeft hen opgewacht en is vanuit stilstand met hoge toeren en opgetrokken zodra zij de straat uit kwamen fietsen, waarbij hij met de voorkant van zijn auto de fiets heeft geraakt waarop de aangevers zaten en zij van die fiets zijn gevallen.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of dit handelen van de verdachte een poging zware mishandeling oplevert. Zij stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank levert het inrijden op een fietser met een auto de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, ongeacht de snelheid waarmee de auto optrok. Naar algemene ervaringsregels kunnen daarbij immers makkelijk benen, voeten of enkels bekneld raken tussen de auto, de fiets en/of het wegdek en is ook de kans op hoofdletsel groot, bijvoorbeeld als de aangereden persoon omvalt.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verdachte de kans op zwaar lichamelijk letsel voor lief heeft genomen. De verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest de aangevers te raken, hij wilde hen alleen blokkeren. Vast staat echter dat de verdachte de fiets heeft geraakt. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk bewust heeft aanvaard, door vanuit stilstand doelbewust hard op te trekken met een auto in de richting van een kwetsbare weggebruiker, . Daarbij is voorts van belang dat de verdachte, nadat hij de aangevers had geraakt met zijn auto, zich niet om hen heeft bekommerd maar direct is overgegaan tot het mishandelen van aangever [aangever 2] (zie feit 2). De verklaring van de verdachte dat hij zich wel zou hebben bekommerd schuift de rechtbank, gelet op de verklaringen van de aangevers en de camerabeelden, als onaannemelijk terzijde. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Dat het betreffende gevolg niet is ingetreden en het daardoor bij een poging is gebleven, is geenszins te danken aan het handelen van de verdachte.
Aangevers hebben aangeven dat, kort na het eerste incident, opnieuw op hen werd ingereden. Het dossier biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de verdachte bij dit incident eveneens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen aan de betrokken personen.
De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank overweegt dat op basis van de twee aangiftes, het waargenomen letsel en de camerabeelden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte [aangever 2] heeft mishandeld door hem te slaan. De verdachte heeft erkend dat hij naar de aangevers is toegelopen en dat hij boos was. De aangiftes van beide aangevers komen in belangrijke mate overeen en de rechtbank acht die verklaringen voldoende betrouwbaar, mede gelet op het waargenomen letsel bij de [aangever 2] en de camerabeelden waarop te zien is dat de verdachte vrijwel direct na de aanrijding over zijn auto heen springt en zwaaiende bewegingen met zijn armen maakt.
Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4.2.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3
Vrijspraak feit 3, primair: medeplegen poging zware mishandeling
De rechtbank komt op basis van het dossier en verhandelde ter terechtzitting niet tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling. Het dossier biedt onvoldoende informatie over de stok waarmee door de medeverdachte is geslagen en – buiten de letselfoto’s – onvoldoende medische informatie om vast te kunnen stellen dat het handelen van de verdachte of de medeverdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt en de medeverdachte vervolgens die kans heeft aanvaard. Daarbij is onder meer van belang dat de aangever zelf heeft verklaard dat hij door de medeverdachte niet in het gezicht is geslagen.
Mishandeling
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte een aandeel heeft gehad in de mishandeling van de aangever en overweegt daartoe als volgt.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De medeverdachte heeft de aangever aangevallen terwijl die bij zijn vriendin in de auto zat. Hij heeft het linker achterportier opengetrokken en probeerde vanuit die positie de aangever, die op de bijrijdersstoel zat, te raken met een langwerpig voorwerp. Vervolgens is op de beelden te zien dat de verdachte met hoge snelheid komt aanrijden, zijn auto voor een dichte slagboom parkeert en naar de betreffende auto waarin de aangever zit toe rent. Hij trekt vervolgens het bijrijdersportier (rechtervoorzijde) open. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is op de camerabeelden te zien dat de medeverdachte ongeveer gelijktijdig om de auto heen loopt en de aangever vervolgens vanaf de rechtervoorzijde meerdere malen slaat met een langwerpig voorwerp naar een persoon die op de bijrijdersstoel zit, dan wel naast dat portier staat. Door het autoportier te openen heeft de verdachte dit geweld gefaciliteerd. Daarmee heeft hij een essentiële bijdrage geleverd aan de mishandeling van de aangever. Voorts is van belang dat de verdachte en de medeverdachte kort voorafgaand aan het feit veelvuldig telefonisch contact hebben gehad, dat kort daarop de verdachte op het terrein arriveerde en hij zich vervolgens naar de plaats delict heeft gehaast toen de medeverdachte zijn aanval op de aangever begon en zich daar rücksichtslos in heeft gemengd. Daaruit maakt de rechtbank op dat er tussen de verdachte en de medeverdachte van tevoren overleg is geweest. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij de geweldshandelingen van de medeverdachte niet heeft gezien, maar op basis van de (beschrijving van de) camerabeelden kan het niet anders zijn geweest dan dat hij die wel heeft gezien. Hij stond er immers met zijn neus bovenop.
De verdachte heeft verschillende verklaringen gegeven waarom hij naar de auto van de aangever zou zijn gegaan en waarom hij überhaupt aanwezig was bij de Avifauna. Zo heeft hij bij de rechter-commissaris dat hij zijn neef wilde gaan helpen, maar vertelt hij ter terechtzitting dat hij in eerste instantie alleen naar de auto toe rende om hulp te vragen bij de slagboom, en dat hij vervolgens hulp wilde bieden aan de persoon op de bijrijdersstoel omdat deze zich vreemd gedroeg. De rechtbank schuift deze verklaringen, gelet op het sterk wisselende karakter, als ongeloofwaardig terzijde.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 subsidiair tenlastegelegde.
3.4.3.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4
Aangever [aangever 4] heeft aangifte gedaan van een incident waarbij een auto meermalen hard op hem af kwam gereden en een man uit het raam van de auto met een soort ploertendoder in zijn richting zou hebben geslagen. [aangever 4] is verbalisant, maar het, incident vond plaats in zijn privétijd. In de aangifte heeft hij een duidelijke beschrijving van het incident en een signalement van zowel de bijrijder als de bestuurder gegeven.
Niet lang daarna heeft [aangever 4] , die werkzaam is als politieagent, naar aanleiding van een ander incident waarbij hij in functie betrokken was, de bijrijder herkend als zijnde de verdachte. [aangever 4] heeft daarvan vervolgens een proces-verbaal op ambtseed opgemaakt waarin hij een herkenning van de verdachte als bijrijder van de auto met honderd procent zekerheid heeft opgenomen.
Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat het proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de herkenning van de verdachte niet als bewijs kan worden gebezigd, dan wel dat er geen er geen of minder bewijskracht aan die herkenning toekomt omdat de aangever een agent in privétijd betrof, deelt de rechtbank die visie niet. De aangever is een agent die na zijn aangifte in privétijd vanuit zijn functie een ambtsedig proces-verbaal heeft opgemaakt. Derhalve is het proces-verbaal bruikbaar als bewijsmiddel en hecht de rechtbank hecht daaraan de gebruikelijke bewijskracht.
De herkenning van de verdachte door verbalisant [aangever 4] wordt bovendien verder ondersteund door het volgende.
In de aangifte is het kenteken van de betrokken auto genoemd. Dat kenteken staat op naam van de moeder van de neef van de verdachte. Die moeder heeft op 14 juli 2025 een verklaring overgelegd waarin zij verklaard dat zij de auto eerder had uitgeleend aan de verdachte en zijn neef, haar zoon. Verbalisant [aangever 4] heeft bij zijn herkenning niet alleen een volledige herkenning van de verdachte gedaan, maar ook de neef van de verdachte met grote waarschijnlijkheid herkend als de bestuurder van de auto. Die neef is daarmee de medeverdachte. Kort na het incident is door een verbalisant op camerabeelden waargenomen dat een vergelijkbare auto zich met hoge snelheid op de route van het plaats delict richting de woning van de medeverdachte begaf. Slechts twintig minuten na het incident is de betrokken auto bij de woning van de medeverdachte aangetroffen. De verdachte heeft hier op geen enkele manier een verklaring tegenover gezet, terwijl dat in deze omstandigheden wel van hem mag worden verwacht. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bijrijder was van de auto die bij het incident betrokken was.
Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel
Voor de vereisten van het hebben van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover heeft overwogen onder 3.4.1. Kortgezegd moet de verdachte bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat een bepaald gevolg zou intreden en kan de aanvaarding van die kans ook volgen uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte.
Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de aangever op een scooter reed met een snelheid die rond de 45 á 50 kilometer per uur lag en dat de Mercedes hem passeerde met ongeveer 70 á 80 kilometer per uur, om het moment dat de bijrijder uit het raam hing en met een langwerpig voorwerp slaande bewegingen maakte richting de aangever. Hij raakte daarbij de spiegelomlijsting van de scooter. De aangever schrok hiervan en moest uitwijken naar rechts om zelf niet geraakt te worden.
De rechtbank overweegt dat iemand naar algemene ervaringsregels al snel zwaar lichamelijk letsel kan oplopen als diegene omvalt met een scooter waarmee op hoge snelheid wordt gereden. Of dat komt door schrik, doordat de scooter of de bestuurder daadwerkelijk door iets of iemand wordt geraakt of doordat de bestuurder plotseling ergens voor moest uitwijken, is in dit verband niet relevant. Door met een stok uit het raam van de rijdende auto slaande bewegingen te maken richting de aangever en daarbij ook daadwerkelijk de scooter van de aangever te raken heeft de verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever zou vallen en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte had immers kunnen vallen door de schrik, door geraakt te worden door de stok, door plotseling uit te wijken om niet geraakt te worden of door zijn evenwicht te verliezen. De rechtbank acht ook in dit geval de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het doen ontstaan van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Dat het betreffende gevolg niet is ingetreden en het daardoor slechts bij een poging is gebleven, is geenszins te danken aan het handelen van de verdachte.
Medeplegen
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is, zoals onder 3.4.2. reeds is overwogen, vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank overweegt dat de verdachte de bijrijder van de auto was, en niet de bestuurder. Voor zover de tenlastelegging ziet op het met hoge snelheid inrijden op de aangever kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte daarover afspraken heeft gemaakt met de bestuurder. De verdachte zal van dat onderdeel van de tenlastelegging daarom partieel worden vrijgesproken.
De rechtbank acht echter wel wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het naast de aangever rijden en het slaan met de stok in de richting van de aangever. Het naast de aangever gaan rijden was een essentieel onderdeel om te faciliteren dat de verdachte de aangever, althans zijn scooter met de stok kon slaan. Daarmee heeft de bestuurder van de auto, de medeverdachte, een essentiële bijdrage geleverd aan het slaan met de stok en was zijn bijdrage van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders kan dan dat er enige afstemming is geweest tussen de verdachte en de medeverdachte.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 4 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 primair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 3 juli 2025 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan
anderen, te weten [aangever 1] en [aangever 2]
,opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
,met een auto op hen is ingereden en hen ten val heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
;2
hij op 3 juli 2025 te Alphen aan den Rijn [aangever 2] heeft mishandeld, door met een gebalde vuist in het gezicht van die [aangever 2] te slaan
;
3
hij op 9 juli 2025 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander [aangever 3] heeft mishandeld door meermaals met een stok tegen de rechterarm
enrechterhand van [aangever 3] te slaan;
4
hij op 12 juli 2025 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 4]
,opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
doorop hoge snelheid uit een auto met een stok richting [aangever 4] en zijn scooter heeft geslagen
,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 131 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering, met dien verstande dat het begeleid wonen alleen nodig is voor zover de reclassering dat noodzakelijk acht, dat het locatieverbod alleen geldt voor de plaats Alphen aan den Rijn in plaats van de gehele gemeente, en dat de enkelband wordt opgelegd voor maximaal zes maanden. Als extra bijzondere voorwaarde vordert de officier van justitie dat de verdachte meewerkt aan programma met een coach van E25, voor zover de reclassering noodzakelijk acht. In aanvulling daarop vordert de officier van justitie dat aan de verdachte ook een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om, indien en zover de rechtbank komt tot een veroordeling, aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen conform de tijd die hij reeds heeft doorgebracht in voorarrest, en eventueel in aanvulling daarop een voorwaardelijke straf als stok achter de deur.
De raadsvrouw heeft zich voorts aangesloten bij hetgeen de officier van justitie ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft opgemerkt en gevorderd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een zeer korte periode schuldig gemaakt aan een serie van geweldshandelingen, te weten twee pogingen tot zware mishandeling, waarvan één in vereniging, en twee mishandelingen, waarvan ook één in vereniging. Dit zijn ernstige feiten. De verdachte heeft door zo te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van meerdere personen, onder wie ook twee minderjarigen. Het door hem gepleegde geweld had bovendien geen enkel aanwijsbaar doel en de verdachte lijkt volledig uit de bocht te zijn gevlogen. Hij heeft zich laten leiden door wraakgevoelens en loyaliteit aan zijn eigen familieleden, maar heeft daarbij geenszins stilgestaan bij de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor zijn slachtoffers. Uit de verklaringen van de slachtoffers in het dossier blijkt ook hoezeer zij zijn geschrokken en wat voor impact het tegen hen gebruikte geweld op hen heeft gehad. Bovendien vonden alle feiten plaats in de openbare ruimte en waren er in bijna alle gevallen ook omstanders aanwezig. Ook zij zullen mogelijk nog langere tijd het gevoel hebben dat zij op straat op hun hoede moeten zijn voor onverwachte en gevaarlijke situaties zoals veroorzaakt door de verdachte. De verdachte heeft daarmee niet alleen schade aangericht bij de slachtoffers, maar ook bijgedragen aan algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten en dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde tevens nog in een proeftijd liep.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 oktober 2025, waarin onder andere wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Er is sprake van een gemiddeld recidiverisico, waarbij het risico op letsel ook wordt ingeschat als gemiddeld.
De reclassering omschrijft de verdachte als een jongeman die een vriendin en een pasgeboren zoon heeft, zonder vast inkomen en waarbij sprake is van schuldenproblematiek. Dat ziet de reclassering als risico verhogend. Er zijn geen aanwijzingen voor problematisch middelengebruik. De verdachte heeft weliswaar een steunend familiair netwerk in de vorm van zijn moeder, jongere broer en opa en oma, maar aan de andere kant vormt zijn sociaal/familiair netwerk ook een risico. Dat ziet met name op het contact met zijn neef. Loyaliteit naar zijn familie, impulsiviteit, sensatie, vatbaarheid voor negatieve beïnvloeding en een negatief netwerk lijken een rol te hebben gespeeld in het bewezenverklaarde. Mogelijk is er sprake van agressieregulatieproblematiek. Het psychosociaal functioneren van de verdachte, zijn houding en het sociaal/familiair netwerk worden zodoende als risico verhogend gezien.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, verplichte ambulante behandeling, begeleid wonen, een contactverbod met de medeverdachte en de twee minderjarige slachtoffers, een locatieverbod met elektronische monitoring voor de gemeente Alphen aan den Rijn, een locatiegebod met elektronische monitoring en meewerken aan dagbesteding.
Ter terechtzitting heeft de toezichthouder van de verdachte toegelicht dat de verdachte inmiddels bij zijn opa verblijft, omdat begeleid wonen voor hem niet passend bleek. Dat had voor een groot deel te maken met de jonge leeftijd van de verdachte ten opzichte van de andere deelnemers aan het begeleid wonen en de negatieve invloed die van hen uitging. Behandeling bij De Waag voor diagnostiek en agressieregulatie problematiek wordt nog steeds nodig geacht. De verdachte wil graag inzicht krijgen in zijn eigen gedrag, maar dat is lastig voor hem. Hij is impulsief en gediagnosticeerd met ADHD. De toezichthouder acht een coaching traject bij E25 eveneens passend. De verdachte zegt zich inmiddels te hebben aangemeld voor een BBL-opleiding tot stukadoor bij het Techniek College in Rotterdam. Hij moet daarvoor nog een leerbedrijf vinden.
Ten aanzien van het locatieverbod heeft de toezichthouder toegelicht dat deze nu ziet op de gehele gemeente Alphen aan den Rijn. Dat werkt volgens de toezichthouder erg beperkend voor de verdachte, niet alleen bij de werkzaamheden voor het bedrijf van zijn vader maar ook voor het bezoeken van zijn opa en oma in Nieuwkoop. Hij moet daardoor vaak erg ver omreizen. Het locatieverbod beperken tot alleen de plaats Alphen aan den Rijn zou hem enorm helpen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat onder meer aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor zware mishandeling met wapen niet zijnde een vuurwapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden vermeld. Indien sprake is van een poging, wordt in de regel een derde van dat uitgangspunt af getrokken. Daar staat tegenover dat het medeplegen van een dergelijk feit strafverzwarend kan werken. Daarbij moet worden gekeken naar de omvang en het gewicht van de bijdrage van de verdachte. Als uitgangspunt voor een mishandeling met behulp van een slagwapen is een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur vermeld, en voor een mishandeling zonder wapen maar wel met letsel een geldboete van € 1.000,-.
In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan één geweldsincident, maar dat er in korte tijd sprake is geweest van een explosie aan geweld, vaak zonder of met geringe aanleiding, waarbij er op verschillende momenten tegen verschillende personen geweld is gebruikt, ook met het gebruik van wapens. Ten aanzien van een poging tot zware mishandeling en een mishandeling, geldt bovendien dat die in vereniging zijn gepleegd. Ook neemt de rechtbank bij de strafoplegging mee dat de verdachte nog erg jong was ten tijde van de gepleegde feiten.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan bijzondere voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Deze proeftijd is langer dan de gebruikelijke proeftijd van 2 jaren en legt de rechtbank op omdat het haar zorgen baart dat de verdachte op zo’n jonge leeftijd, in zo’n korte tijd tot ernstige geweldsfeiten is over gegaan.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 131 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met [aangever 1] , [aangever 2] en de medeverdachte [medeverdachte] , verplichte diagnostiek en ambulante behandeling, begeleid wonen voor zover de reclassering dat noodzakelijk acht, meewerken aan dagbesteding en meewerken met een coach van E25 voor zover de reclassering dat noodzakelijk acht. Voor het opleggen van een locatieverbod en/of locatiegebod met monitoring middels een enkelband, ziet de rechtbank geen aanleiding, nu de verdachte in Rotterdam verblijft, onder toezicht staat van de reclassering en de verdachte zich in de tussentijd ook niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, of contact heeft opgenomen met de slachtoffers.
In aanvulling daarop acht de rechtbank ook een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] .
Gelet op het feit dat het gaat om verschillende geweldsfeiten binnen een korte periode en de kans op recidive (met letsel voor anderen) door de reclassering wordt ingeschat op gemiddeld, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering
[aangever 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding vergoeding van € 1.156,00 aan materiële schade en een niet nader genoemd bedrag aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[aangever 4]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 62,70 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
[aangever 2]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
[aangever 4]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
7.3
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van beide vorderingen heeft de verdediging primair verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren wegens de verzochte integrale vrijspraak.
[aangever 2]
Indien en voor zover de rechtbank niet tot een vrijspraak van feit 2 komt, heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege onvoldoende onderbouwing van zowel de materiële als immateriële schade.
[aangever 4]
Indien en voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 4 komt, heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
[aangever 2]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Bovendien is de vordering niet door (de wettelijk vertegenwoordiger van) de benadeelde partij ondertekend. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
[aangever 4]
De vordering is namens de verdachte onvoldoende (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 4 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 60,72 aan materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 60,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 4] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 subsidiair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, primair:
poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
mishandeling;
ten aanzien van feit 3, subsidiair:
medeplegen van mishandeling;
ten aanzien van feit 4, primair:
medeplegen van poging tot zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
131 (honderdeenendertig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
90 (negentig) dagen,
niet ten uitvoer zal worden gelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, [aangever 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012 en [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2012, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland en zich daarna op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering neemt contact op voor de eerste afspraak;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeling bij forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven. De behandeling start zo snel mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [instelling] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, indien en voor zover de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur en wat bijdraagt aan het voorkomen van delictgedrag;
- gedurende de proeftijd meewerkt met een coach van E25, zolang en voor zover de reclassering dat noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstrafvoor de tijd van
80 (tachtig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de tijd van
40 (veertig) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 4] toe tot een bedrag van € 60,72 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 4] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [aangever 4] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 4] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 dag. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.F.R. de Rooij, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2026.