ECLI:NL:RBDHA:2026:3112

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
24/8525
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op recht op maatschappelijke opvang voor onrechtmatig verblijvende eiser

Eiser, een onrechtmatig in Nederland verblijvende persoon, heeft zich op 1 augustus 2022 gemeld voor daklozenopvang in Den Haag. Het college van burgemeester en wethouders heeft hem per besluit van 2 september 2022 meegedeeld dat hij geen recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, maar dat hem uit coulance tijdelijke opvang wordt geboden in een hotel. Tevens is hij aangemeld voor opvang bij de Medische Opvang Ongedocumenteerden (MOO) in Amsterdam.

Eiser betoogt dat de MOO geen adequate medische opvang biedt en dat hij vanwege zijn medische situatie en sociale netwerk in Den Haag niet naar Amsterdam kan verhuizen. Hij verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin een lacune in het opvangrecht wordt erkend en het college een verdragsrechtelijke verplichting heeft om opvang binnen de gemeentegrens te regelen.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen verblijfsrecht heeft en daarom geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang volgens de Wmo. De geboden opvang is uit coulance en de keuze van het college om hem naar de MOO in Amsterdam te verwijzen is niet onredelijk of disproportioneel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt het griffierecht niet terug. De rechtbank wijst ook de proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het college mag de opvang uit coulance voortzetten zonder recht op maatschappelijke opvang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8525

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).

Inleiding

1. Eiser heeft zich op 1 augustus 2022 gemeld voor een plaats in de daklozenopvang. Het college heeft in het besluit van 2 september 2022 aan eiser bericht dat de tijdelijke opvang waarvan hij nu gebruik maakt hem uit coulance wordt geboden, omdat hij geen recht heeft op opvang en dat hij wordt doorgestuurd naar de Medische Opvang Ongedocumenteerden (MOO) in Amsterdam, waarvoor hij inmiddels is aangemeld.
1.1.
Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, en eisers begeleider, F.A. Ohm, en gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiser vrijgesteld van betaling griffierecht wegens betalingsonmacht?
2. Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. De rechtbank gaat hierin mee, want eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij het griffierecht niet kan betalen.
Opvang uit coulance
3. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1957, is vanuit Afrika naar Nederland gekomen. In 2014 en in 2019 is eiser behandeld voor keelkanker. In die tijd verbleef hij in het AZC in [plaats 1] . Hij moest daar weg en heeft toen een periode in het huis van een vriend verbleven die in het buitenland ging wonen. Medio 2022 kwam de vriend terug en dreigde eiser op straat terecht te komen na een ziekenhuisopname eind juli 2022 vanwege een operatie aan zijn halsslagader.
3.1.
Eiser heeft zich op 1 augustus 2022 gemeld bij het Daklozenloket in Den Haag voor een plek in de opvang. Hij heeft verzocht hem om medische redenen op te vangen, omdat zijn gezondheid fragiel is. Naar aanleiding van deze melding is aan eiser per 1 augustus 2022 tijdelijke opvang geboden in hotel [hotel] in [plaats 2] .
3.2.
In het besluit van 2 september 2022 – dat in het bestreden besluit is gehandhaafd - heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiser, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft geen recht heeft op maatschappelijke opvang vanuit de Wmo. De tijdelijke opvang waarvan eiser nu gebruik maakt wordt geboden uit coulance. Het college heeft een duurzame oplossing gevonden in een opvang in de MOO in Amsterdam. Eiser is dan ook daarvoor aangemeld.
3.3.
Eiser voert aan dat de MOO geen medische voorziening is, en ook geen doorgeleiding naar medische zorg. Verder is het niet een opvangorganisatie, omdat het niet is aangesloten bij het Platform Opvanginstellingen Amsterdam (PAO). Als eiser akkoord gaat met opvang in de MOO, komt hij dus volledig zonder rechten te zitten, terwijl hij recht heeft op hulp. In het Wmo-advies is ten onrechte vermeld dat de MOO een rijksvoorziening is. Ter zitting heeft eiser gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 augustus 2025 [1] , rechtsoverweging 7.5. Daarin is geconcludeerd dat er andermaal een lacune is in het opvangrecht. De Afdeling heeft overwogen dat het college een verdragsrechtelijke verplichting heeft om zijn problemen met betrekking tot opvang op te lossen binnen zijn gemeentegrens. Verder heeft eiser ter zitting opgemerkt dat zijn netwerk de kerk in Den Haag is en de mensen die daartoe behoren, en dat hij in Den Haag ook de artsen die hem behandelen bezoekt. Het is voor hem heel moeilijk om in Amsterdam een nieuw netwerk op te bouwen en op zoek te gaan naar andere artsen.
3.4.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser geen verblijfsrecht heeft en dus geen recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Uit het voorgaande volgt dat de opvang van eiser in [hotel] en de opvang in de MOO waarvoor eiser is aangemeld door het college uit coulance wordt geboden. Het betoog van eiser dat geen sprake is van opvang uit coulance slaagt dan ook niet.
3.5.
Binnen die opvang uit coulance kan het college verschillende keuzes maken. Nu het gaat om de toepassing van coulance, is de toets van de rechtbank beperkt tot de vraag of de gemaakt keuze dermate onredelijk is dat deze evident in strijd komt met de evenredigheid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat eiser liever niet naar een andere stad verhuist is begrijpelijk, maar onvoldoende. Ook is niet gebleken dat de MOO volstrekt niet voldoet als opvang. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025 maakt het voorgaande niet anders. Het gaat hier niet om de situatie dat eiser moet terugkeren naar zijn land, maar dat buiten zijn schuld niet kan en evenmin om de situatie dat eiser verstoken blijft van de meest elementaire levensbehoeften. Het betoog van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.