Verzoekster diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 13 november 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster stelde beroep in tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 6 februari 2026 samen met een gerelateerde zaak. Op dezelfde dag werd in de bodemzaak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.