ECLI:NL:RBDHA:2026:3107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL25.56007
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder b, Vw 2000Art. 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens motiveringsgebrek

Eiseres diende op 5 september 2024 een opvolgende asielaanvraag in, die door de minister op 13 november 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 6 februari 2026 en oordeelde dat de minister onvoldoende en niet-deugdelijke motivering had gegeven voor het ongeloofwaardig achten van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres.

De rechtbank stelde vast dat eiseres aannemelijk had gemaakt waarom zij geen paspoort of verklaring van de ambassade van Congo Kinshasa kon overleggen, mede ondersteund door een verklaring van een sociaal maatschappelijk medisch medewerkster. De minister had deze verklaring niet adequaat betrokken in zijn besluitvorming. Daarnaast werden nieuwe feiten over fraude met paspoorten en het Poolse visa-schandaal onvoldoende meegewogen.

Ook de verklaring van de ambassade van Congo Brazzaville, de originele geboorteakte en een verklaring van de rechtbank werden door de minister onvoldoende betrokken. De rechtbank oordeelde dat deze documenten en verklaringen wel degelijk relevant zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid.

Gelet op deze tekortkomingen vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en gaf de minister zes weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56007

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiseres is het hier niet mee eens.
1.1.
De rechtbank acht het beroep van eiseres gegrond zal de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag vernietigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 volgt de beoordeling van de beroepsgronden van eiseres. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 5 september 2024 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 13 november 2025 en mede onder verwijzing naar het voornemen van 11 november 2025, afgewezen als kennelijk ongegrond [2] .
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 24 november 2025 en 30 januari 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 4 februari 2026 een hoger beroepschrift in een andere zaak aangaande de geloofwaardigheidsbeoordeling ingevolge Werkinstructie 2024/6 overgelegd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoekschrift in de zaak met nummer NL25.56008, op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door een tolk, en de gemachtigden van eiseres en de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stel vast dat sprake is van een opvolgende aanvraag.
3.1.
Eiseres heeft in haar eerste aanvraag van 8 oktober 2018 al gesteld dat zij [naam] is, geboren op [geboortedatum] te Kinshasa in Congo Kinshasa en als nationaliteit, burger van Congo Kinshasa heeft. In het in rechte vaststaande besluit van 24 juni 2019 is de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres ongeloofwaardig gevonden. Uit dat besluit blijkt dat daarvoor de informatie uit EU-VIS van doorslaggevende betekenis is geweest [3] . Hierin staat dat eiseres bij de Poolse autoriteiten in Angelo een Schengenvisum had gevraagd en dat zij, op basis van biometrie en een paspoort van Congo Brazzaville met documentnummer OA0274953, een Schengenvisum had verkregen op naam van [naam] , geboren op [geboortedatum] te Brazzaville in Congo Brazzaville met de nationaliteit Congo Brazzaville. Dit Schengenvisum was geldig van 21 juli tot en met 11 augustus 2018. Eiseres heeft met haar toen gegeven verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens in EU-VIS onjuist zijn. De minister is daarom uitgegaan van de nationaliteit Congo Brazzaville, heeft de gestelde problemen van eiseres in Congo Kinshasa buiten beschouwing gelaten en vastgesteld dat eiseres niet heeft gesteld problemen te hebben ondervonden in Congo Brazzaville.
3.2.
In de uitspraak van 31 oktober 2019 [4] heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, de verwijzing van eiseres naar algemene informatie waaruit zou blijken dat er sprake is van corruptie in Congo-Brazzaville, haar verklaringen omtrent de mensensmokkelaar en haar leven en problemen in Congo Kinshasa als ook haar beroep op bewijsnood onvoldoende gevonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 7 februari 2020 [5] de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
4. In de opvolgende aanvraag van 5 september 2024 heeft eiseres weer gesteld dat zij [naam] is, is geboren op [geboortedatum] en de nationaliteit burger van Congo Kinshasa heeft. Eiseres heeft daarbij nieuwe documenten overgelegd: een verklaring van de ambassade van Congo Brazzaville van 28 oktober 2022, kaarten van Google maps, een originele geboorteakte, een vonnis rechtbank en een aanvraagformulier paspoort.
4.1.
In de zienswijze heeft eisers een verklaring van een sociaal maatschappelijk medisch medewerkester van Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen Utrecht (SNDVU) van 12 november 2025 overgelegd en gewezen op artikelen over fraude met paspoorten uit Congo Brazzaville en het zogenoemde Poolse visa-schandaal.
5. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen objectieve documenten overgelegd die het asielmotief ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’ volledig onderbouwen en het asielmotief ongeloofwaardig gevonden omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c van de Vw. De minister heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, omdat het gaat om een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
6. De beroepsgrond dat de motivering van het ongeloofwaardig gevonden asielmotief ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’ niet deugdelijk is, slaagt. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
7. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres nog steeds haar gestelde nationaliteit Congo Kinshasa niet met documenten heeft onderbouwd en dat eiseres ook geen goede verklaring heef gegeven waarom zij geen paspoort of een verklaring van de ambassade van Congo Kinshasa heeft overgelegd.
7.1.
De beroepsgrond van eiseres dat deze motivering niet deugdelijk is, slaagt.
7.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat vanwege het in rechte vaststaande feit dat eiseres de nationaliteit Congo Kinshasa heeft, het aan eiseres is om aan te tonen dat zij deze nationaliteit niet bezit. Uit de stukken blijkt dat eiseres op 24 oktober 2024 met verschillende documenten naar de ambassade van Congo Kinshasa in Brussel is geweest, maar dat zij daar geen paspoortaanvraag heeft mogen indienen. In de zienswijze van 12 november 2025 heeft eiseres ter ondersteuning van deze verklaring, een verklaring bijgevoegd van een sociaal maatschappelijk medisch medewerkster van SNDVU van 12 november 2025. Uit deze verklaring blijkt dat deze medewerkster op 24 oktober 2024 met eiseres naar de ambassade van Congo Kinshasa in Brussel is geweest. In deze verklaring staat verder het volgende:
“ [naam] had geboorteakte en andere documenten opgestuurd gekregen via dhl uit Kinshasa, Congo DRC. Ik heb toen deze documenten ingescand en gekopieerd zodat zij een extra set had. We hebben toen een afspraak ingepland bij de ambassade in België op 24 oktober 2024 om een paspoortaanvraag te doen. Het was die dag heel druk en we moesten lang wachten. Toen we aan de beurt kwamen wilde de medewerker ook haar oude w document zien. Omdat daar niet CongoDrC op stond weigerde de medewerker verder de documenten aan te nemen en te bekijken. Teleurgesteld zijn we onverrichterzake weer naar huis gegaan”De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op deze verklaring en deze derhalve niet kenbaar bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Verder is de minister in zijn motivering slechts kort ingegaan op de verklaring van eiseres dat ze naar de ambassade is geweest, maar dat zij geen paspoortaanvraag heeft kunnen indienen. De daarop door de minister gegeven motivering is de volgende: “Als dat zo is, is dat te weinig. Zo is niet gebleken dat u het nogmaals heeft geprobeerd’. De rechtbank acht deze motivering niet volledig en niet deugdelijk. Datzelfde geldt voor de door de minister op zitting gegeven toelichting, dat niet duidelijk is geworden welke documenten eiseres naar de ambassade had meegenomen. Vast staat immers dat eiseres bij de autoriteiten van Congo Kinshasa in Brussel is geweest en dat eiseres vanwege het getoonde w document geen mogelijkheid heeft gekregen om überhaupt een paspoortaanvraag te kunnen doen. Dit mag niet aan eiseres worden tegengeworpen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres wel degelijk een bevredigende verklaring heeft gegeven waarom een paspoort of een verklaring van de ambassade van Congo Kinshasa ontbreekt. De rechtbank is verder van oordeel dat, gezien de gegeven omstandigheden, een tweede poging bij voorbaat zinloos lijkt en dit dan ook niet aan eiseres mag worden tegengeworpen.
7.3.
Ten aanzien van het aanvraagformulier paspoort stelt de minister zich op het standpunt dat dit formulier niet onderbouwt dat eiseres geen paspoort zou kunnen krijgen en dat eiseres geen goede verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van documenten ter onderbouwing van haar nationaliteit. De rechtbank acht deze motivering gezien de voorgaande overwegingen onder 7.2 evenmin deugdelijk. Eiseres heeft immers wel een bevredigende verklaring gegeven voor het niet kunnen verkrijgen van een paspoort of verklaring van de ambassade van Congo Kinshasa.
7.4.
Nu de autoriteiten van Congo Kinshasa aan eiseres vanwege het oude w document niet de mogelijkheid hebben gegeven een paspoort aan te vragen, is de rechtbank eveneens van oordeel dat eiseres in dit verband in bewijsnood verkeert.
7.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw niet deugdelijk heeft gemotiveerd en deze ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen.
8. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres niet samenhangend en aannemelijk zijn en in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor de aanvraag.
8.1.
De beroepsgrond van eiseres dat deze motivering niet deugdelijk is, slaagt ook.
8.2.
De rechtbank volgt het betoog van eiseres dat de minister in het bestreden besluit niet deugdelijk is ingegaan op de in de zienswijze genoemde artikelen over fraude met paspoorten uit Congo Brazzaville en het Poolse visa-schandaal, waaronder een artikel van Interpol van 21 februari 2025 en van de BBC van 20 december 2003. De rechtbank is het met eiseres eens dat deze artikelen de eerdere verklaringen van eiseres dat sprake is van fraude, dat het paspoort van Congo Brazzaville, waarvan slechts een kopie voorhanden is, vals is, dat zij het nooit in handen heeft gehad en dat een tussenpersoon het paspoort voor haar heeft geregeld, kunnen ondersteunen. De minister heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat er onderzoek loopt naar een visa-schandaal en dat zolang het onderzoek nog niet is afgerond, er geen aanleiding bestaat om daarop in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze motivering geen concrete en geen deugdelijke reactie heeft gegeven op de artikelen waarop eiseres heeft gewezen. Uit het artikel van Europol kan immers worden afgeleid dat in Polen een groep criminelen is opgerold die meer dan 12.000 documenten hadden vervalst waaronder visa. Uit het overgelegde artikel van BBC blijkt dat de EU vragen heeft gesteld aan Polen en dat Polen erkent dat er honderden visa illegaal zijn verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat deze nieuwe feiten en omstandigheden, hoewel algemeen van aard, de verklaringen van eiseres kunnen ondersteunen en niet zonder meer terzijde geschoven kunnen worden.
8.3.
Het betoog van eiseres dat de motivering van de minister met betrekking tot de verklaring van de ambassade van Congo Brazzaville in Brussel van 28 oktober 2022 evenmin deugdelijk is, slaagt ook. In deze verklaring van de ambassade van Congo Brazzaville staat dat eiseres niet afkomstig is uit Congo Brazzaville, dat het paspoort dat eiseres in haar bezit heeft een vals document betreft en dat eiseres niet bekend is in hun diensten. Ook staat in deze verklaring dat eiseres de nationaliteit Congo DRC heeft en geboren is in Kinshasa.
8.3.1.
De minister heeft de verklaring van Congo Brazzaville in twijfel getrokken omdat niet duidelijk is welk onderzoek er aan ten grondslag ligt. Ook twijfelt de minister aan de verklaring van eiseres dat ze op basis van haar naam, taal, de naam van haar ouders en waar eiseres vandaan komt, hebben geoordeeld dat eiseres niet de nationaliteit Congo Brazzaville heeft. Verder acht de minister het vreemd dat een ambassade een uitspraak kan doen over een nationaliteit anders dan die van de eigen onderdanen. De minister heeft op grond hiervan aan de overgelegde verklaring van de ambassade van Congo Brazzaville niet de gewenste waarde gehecht.
8.3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het vreemd kunnen vinden dat in de verklaring van de ambassade van Congo Brazzaville wordt aangegeven dat eiseres de nationaliteit Congo Kinshasa heeft. De verklaring zelf is echter door de minister niet als vals of onjuist aangemerkt. Dat de inhoud van de verklaring bij de minister vragen oproept, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zonder meer tot de conclusie leiden dat aan de verklaring geen betekenis kan worden toegekend.
8.3.3.
De minister wijst in dit verband ook op een in 2020 gedane mondelinge toezegging van de ambassade Congo Brazzaville aan DT&V dat aan eiseres een laissez-passer op het kopie paspoort van eiseres zal worden verstrekt. De minister wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2020 in de bewaringsprocedure van eiseres, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat van het verslag van DT&V, waarin de toezegging is opgenomen, mag worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze informatie niet worden afgeleid dat het paspoort van eiseres niet vals was; de toezegging is immers gedaan op een kopie van het paspoort. Bovendien is ook ten aanzien van die toezegging niet duidelijk welk onderzoek daaraan ten grondslag heeft gelegen. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom onder deze omstandigheden aan een mondeling toezegging van de ambassade Congo Brazzaville aan DT&V meer waarde wordt toegekend dan aan de recente schriftelijke verklaring van de ambassade Congo Brazzaville.
8.4.
Eiseres beroepsgrond dat de motivering van de minister met betrekking tot de overgelegde originele geboorteakte en de verklaring rechtbank niet deugdelijk is, slaagt ook.
8.4.1.
De rechtbank stelt in dit verband eerst vast dat in het bestreden besluit de door eiseres overgelegde geboorteakte echt is bevonden. De geboorteakte is afgegeven door de officier van burgerlijke zaken in Congo Kinshasa. De oom van eiseres, [naam] is bij burgerlijke zaken geweest en heeft verklaard dat eiseres [naam] is, dat zij is geboren op [geboortedatum] en dat haar volledige naam [naam] is. De naam van haar vader is [naam] , geboren in Kinshasa met geboortedatum [geboortedatum] en met de Congolese nationaliteit, woonachtig in [adres] . De naam van haar moeder is [naam] , geboren in Bolendo in [geboortedatum] en met eveneens de Congolese nationaliteit. Aan de zijkant van de geboorteakte is vermeld dat om de geboorteakte te verkrijgen, een formulier van de rechtbank nodig is. Eiseres heeft deze meegestuurd. In het bestreden besluit is niet aangegeven of het formulier rechtbank echt bevonden is. Hoewel de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de geboorteakte geen identificerend document betreft, kan deze wel ondersteunend zijn bij een beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres en dient deze derhalve wel degelijk in de beoordeling te worden betrokken. Datzelfde geldt voor de daarmee samenhangende overgelegde verklaring rechtbank. De minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet gedaan.
8.5.
Tot slot slaagt ook de beroepsgrond van eiseres dat de minister niet is ingegaan op haar verklaringen over haar gestelde leven in Congo Kinshasa en de door haar in dat verband overgelegde kaarten van Google maps, waarmee ze haar verklaringen heeft willen ondersteunen. Ook deze verklaringen, ondersteund door Google maps, kunnen van betekenis zijn en dienen te worden gewogen in een integrale beoordeling van de geloofwaardigheid van haar identiteit, nationaliteit en herkomst. In haar verklaringen over haar verleden zouden immers aanknopingspunten kunnen worden gevonden als gevolg waarvan aan eiseres mogelijk het voordeel van de twijfel moet worden gegeven.
8.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat de voorgaande beroepsgronden van eiseres slagen. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres nog steeds ongeloofwaardig is. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen.
10. De minister zal opnieuw op de opvolgende asielaanvraag van eiseres moeten beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank geeft de minister daarvoor een termijn van maximaal zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.
11. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze aan haar betalen. De rechtbank stelt deze vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 november 2025;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 30b, eerste lid, onder g, Vw.
3.Europese Visum Informatiesysteem
4.NL19.14664.
5.Zaaknummer 201908272/1/V2.