AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning na strafrechtelijke veroordelingen
Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit en sinds zijn zesde in Nederland, kreeg zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken vanwege meerdere onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen. De minister besloot tevens dat verzoeker Nederland direct moest verlaten. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om de intrekking op te schorten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het afwachten van de bezwaarprocedure in Nederland, mede omdat hij nu woonruimte heeft bij het Leger des Heils en een traject volgt dat bij vertrek naar Marokko zou worden beëindigd. Ook zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het langdurige verblijf in Nederland en het belang voor zijn minderjarige kinderen, wegen zwaar.
De voorzieningenrechter besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen, waardoor verzoeker Nederland niet hoeft te verlaten tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker. Er is geen voorlopig oordeel gegeven over de rechtmatigheid van het besluit, omdat de persoonlijke omstandigheden nog niet volledig in beeld zijn en de bezwaarprocedure dit moet uitwijzen.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor verzoeker Nederland niet hoeft te verlaten tot vier weken na de beslissing op bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.2333 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag 1] 1982, van Marokkaanse nationaliteit, hierna te noemen: verzoeker
(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en
de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. C.A. van Es).
Procesverloop
De minister heeft met het besluit van 6 januari 2026 (het bestreden besluit) de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken vanaf 7 mei 2013, een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn aan verzoeker uitgevaardigd en een inreisverbod en een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Op 14 januari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort, zodat verzoeker de beslissing op bezwaar in Nederland kan afwachten.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker was daarbij aanwezig en hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook zijn het zusje van verzoeker, [persoon 1] en [persoon 2] van het Leger des Heils verschenen. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 januari 2025 worden opgeschort tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Motivering
Achtergrond
2. Verzoeker is geboren in Marokko en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op zijn zesde kwam hij in het kader van gezinshereniging naar Nederland samen met zijn ouders, vier broers en vier zussen. Vanaf 12 juli 1989 heeft verzoeker een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gehad en vervolgens vanaf 1 april 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. In 2006 is verzoeker getrouwd met [persoon 3] . Samen kregen zij vier kinderen: [persoon 4] (geboren op [geboortedag 2] 2007, op dit moment 18 jaar), [persoon 5] (geboren op [geboortedag 3] 2008, op dit moment 17 jaar), [persoon 6] (geboren op [geboortedag 4] 2010, op dit moment 15 jaar) en [persoon 7] (geboren op [geboortedag 5] 2011, op dit moment 14 jaar). Verzoeker en [persoon 3] zijn thans gescheiden.
2.1.
Uit de justitiële documentatie blijkt dat verzoeker tot aan ongeveer 2012/2013 meerdere strafbare feiten heeft gepleegd. Naar aanleiding hiervan is op 24 augustus 2015 het voornemen geuit om de verblijfsvergunning van verzoeker in te trekken. Uiteindelijk is besloten dit voornemen niet uit te voeren. Vanaf 2023 ging het vervolgens niet goed tussen verzoeker en zijn ex-partner, waardoor verzoeker verviel in alcohol- en drugsgebruik. Hij heeft toen opnieuw misdrijven gepleegd waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld. Hierna is op 30 juli 2025 opnieuw het voornemen geuit om de verblijfsvergunning van verzoeker in te trekken. Verzoeker heeft hiertegen geen zienswijze ingediend.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft de minister (onder andere) de verblijfsvergunning van verzoeker ingetrokken vanaf 7 mei 2013, omdat hij meerdere keren onherroepelijk door de strafrechter veroordeeld is wegens een misdrijf. Na afweging van alle belangen heeft de minister geconcludeerd dat de inmenging in het privéleven en in het mogelijke familieleven met de (minderjarige) kinderen is toegestaan in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten.
Oordeel voorzieningenrechter
Griffierecht
4. Verzoeker heeft gesteld dat hij niet genoeg geld heeft om het griffierecht te betalen en daarom heeft hij gevraagd om vrijstelling daarvan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet voldoende inkomen of vermogen heeft om het griffierecht te kunnen betalen. Daarom hoeft verzoeker geen griffierecht te betalen.
Verzoek om voorlopige voorziening
5. Wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Op grond van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Spoedeisendheid
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk dat verzoeker de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker nu woonruimte heeft bij het Leger des Heils en verzoeker deze na vandaag dreigt te verliezen als hij zijn procedure niet in Nederland mag afwachten. [1] Daar komt bij dat, zoals verzoeker ter zitting heeft gesteld, ook het werk-opleidingstraject dan van de baan is. Verder wordt er gekeken naar een zelfstandige woonruimte voor verzoeker, maar als verzoeker terug moet naar Marokko wordt deze zoektocht stopgezet en is een kans voor verzoeker op een zelfstandige woning in Amsterdam nihil. Verzoeker komt dan op straat te staan en verzoeker heeft op zitting onbetwist gesteld dat hij voor andersoortige opvang [2] niet in aanmerking komt. Verzoeker zit nu in een traject waarin het goed met hem gaat en hij afgekickt is en dit komt in het gedrang als hij zij woonruimte verliest en terug moet naar Marokko.
Geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel
8. De voorzieningenrechter zal in deze zaak geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven. Deze zaak leent zich hier niet voor vanwege de vele belangen en aspecten die aan de orde zijn en gewogen moeten worden in de bezwaarprocedure, mede gelet op het feit dat er geen zienswijze is geweest op het voornemen tot intrekking.
Belangenafweging
9. Het belang van de minister is gelegen in de bescherming van de openbare orde. Verzoeker heeft veel misdrijven gepleegd en de minister vindt dat hij, nu zijn verblijfsvergunning is ingetrokken, Nederland snel moet verlaten. Daartegenover staat het belang van verzoeker om zijn bezwaarprocedure in Nederland af te wachten.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van iemand die meer dan 36 jaar in Nederland verblijft. Zo’n verblijfsvergunning mag niet zomaar worden ingetrokken en de lat ligt daarbij hoog. Bij de beoordeling of intrekking geoorloofd is, spelen de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene een voorname rol. In dit geval zijn die persoonlijke omstandigheden nog niet volledig in beeld, doordat verzoeker in reactie op het voornemen tot intrekking geen zienswijze heeft ingediend, omdat hij de voornemenprocedure had gemist vanwege een vakantie. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker aangegeven nog nadere stukken te willen overleggen, bijvoorbeeld van de nieuwe vriendin van verzoeker, maar ook over het werk-opleidingstraject. Daar komt bij dat verzoeker nu een woonruimte heeft bij het Leger des Heils, aangemeld zal worden voor een doorstroomvoorziening en kans maakt op een zelfstandige huurwoning. Die kans maakt hij niet meer als hij terug moet naar Marokko. Verder acht de voorzieningenrechter van groot belang dat verzoeker hier al sinds zijn zesde levensjaar is en zoals hij zelf ter zitting heeft gezegd: “hier alles heeft”. Zijn ouders, broers, zussen en kinderen wonen in Nederland. Drie van zijn kinderen zijn minderjarig en verzoeker speelt, zoals uit de verklaring van zijn kinderen blijkt, een belangrijke rol in hun leven. Verzoeker heeft in Marokko geen netwerk en kent Marokko alleen van de vakanties.
11. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter bij afweging van alle betrokken belangen aanleiding om het belang van verzoeker zwaarder te laten wegen dan het belang van de minister bij bescherming van de samenleving tegen inbreuken op de openbare orde en zal daarom het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe wijzen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
13. Omdat de voorlopige voorziening wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026 door
mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Zie het e-mailbericht van Willeke Driessen, zorgcoördinator Groepswonen Noordkaap van het Leger des Heils.
2.Zoals bedoeld in punt 20 van het verweerschrift.