ECLI:NL:RBDHA:2026:3086

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/8966 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inzake verblijfsvergunning ongegrond verklaard

Opposant heeft beroep ingesteld tegen een e-mail van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waarin werd meegedeeld dat hij geen belanghebbende is en daarom geen bezwaar kan maken tegen de verlening van een verblijfsvergunning aan zijn ex-echtgenote. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het niet gericht was tegen een appellabel besluit. Opposant stelde verzet in tegen deze uitspraak.

Tijdens de verzetprocedure heeft de rechtbank beoordeeld of het beroep buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk verklaard kon worden zonder zitting. Opposant voerde aan dat het beroep gericht was tegen het besluit van 18 december 2024 en niet tegen de e-mail van 16 april 2025, en dat de verblijfsvergunning ten onrechte was verleend.

De rechtbank oordeelde dat het beroep terecht was gericht tegen de e-mail en dat het duidelijk was dat beroep tegen deze e-mail niet mogelijk was. Daarom mocht de rechtbank zonder zitting beslissen. De inhoudelijke gronden van opposant konden in deze verzetprocedure niet worden beoordeeld. Het verzet werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/8966 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 op het verzet van

[opposant], V-nummer: [v-nummer] , opposant [1] .

Inleiding

1. Opposant heeft kennelijk tegen de e-mail van de Immigratie- en Nationalisatiedienst (de IND) van 16 april 2025 beroep ingesteld.
1.1.
Bij de uitspraak van 25 juli 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het verzet op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: opposant en een gemachtigde van de IND, [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Opposant is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Op 18 december 2024 heeft de IND een verblijfsvergunning verleend aan eisers ex-echtgenote. Opposant wil hiertegen opkomen en heeft daartoe een verzoek gestuurd aan de IND. De IND heeft opposant via de e-mail van 16 april 2025 bericht dat hij geen belanghebbende is en daarom geen bezwaar kan instellen tegen het verlenen van de verblijfsvergunning. Opposant heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.1.
De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. [2] De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep van eiser niet is gericht tegen een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, oftewel een appellabel besluit [3] . Uit de tekst en commentaar bij artikel 1:3 van Pro de Awb volgt namelijk dat een negatief antwoord op een verzoek om een besluit van een niet-belanghebbende geen beschikking en ook geen besluit is.
Wat voert opposant aan in verzet?
3. Opposant voert – kort samengevat – twee gronden aan. Ten eerste is de rechtbank er in de uitspraak van 25 juli 2025 ten onrechte vanuit gegaan dat eisers beroep zich richtte tegen de e-mail van 16 april 2025. Eisers beroep was namelijk niet gericht tegen de e-mail van 16 april 2025 maar tegen het besluit van 18 december 2024. Ten tweede is met het besluit van 18 december 2024 ten onrechte een verblijfsvergunning verleend aan de ex-echtgenoot van opposant.
Wat is het toetsingskader?
4. De rechtbank heeft eerder uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Opposant is het niet eens met deze uitspraak en is in verzet gekomen. Zoals ter zitting besproken, beoordeelt de rechtbank in deze verzetprocedure alleen of het beroep van eiser buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Dus of de zaak zo duidelijk was dat de rechtbank een uitspraak heeft kunnen doen zonder opposant in de gelegenheid te stellen zijn gronden tijdens een zitting toe te lichten. Als opposant duidelijk kan maken dat de rechtbank geen uitspraak had mogen doen zonder zitting, kan het verzet gegrond verklaard worden. Hoewel de rechtbank inziet dat juist de inhoudelijke gronden belangrijk zijn voor eiser, komt de rechtbank alleen toe aan een beoordeling van deze beroepsgronden als het verzet gegrond is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft opposant geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
5.1.
Opposant heeft in verzet geen gronden aangevoerd waardoor moet worden getwijfeld aan het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 25 juli 2025. Volgens opposant is de rechtbank er in die uitspraak ten onrechte vanuit gegaan dat het beroep van eiser zich richtte tegen de e-mail van 16 april 2025. De rechtbank gaat hier niet in mee. Aan de hand van de stukken [4] heeft de rechtbank er namelijk van uit mogen gaan dat opposant beroep heeft ingesteld tegen de e-mail van 16 april 2025. Daarbij is ook van belang dat opposant tijdens de zitting heeft verklaard dat het hem pas na de uitspraak van
25 juli 2025 duidelijk werd dat dit niet mogelijk was, dat hij dit niet wist en dat dit fout is gegaan. Omdat het duidelijk is dat een beroep tegen de e-mail van 16 april 2025 niet mogelijk is, heeft de rechtbank op 25 juli 2025 uitspraak kunnen doen zonder eiser eerst uit te nodigen om ter zitting een toelichting te geven. Het verzet is ongegrond.
Dat opposant vindt dat verweerder ten onrechte een verblijfsvergunning heeft verleend aan zijn ex-echtgenote is een inhoudelijke beroepsgrond die de verzetsrechter niet kan beoordelen, omdat het verzet niet gegrond is.
6. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd in beroep en ook in de onderhavige verzetsprocedure heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep van eiser buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk verklaard kon worden zonder het houden van een zitting [5] .

Conclusie en gevolgen

7. In hetgeen opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de bestreden uitspraak van 25 juli 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld degene die het verzetschrift heeft ingediend.
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
3.In de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.Zie de e-mail van opposant van 17 april 2025 waarmee opposant beroep heeft ingesteld bij de rechtbank en uit de gronden van beroep.
5.Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:54 van Pro de Awb.