ECLI:NL:RBDHA:2026:3083
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Ziektewet-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van het UWV waarin haar bezwaar tegen het stopzetten van haar Ziektewet-uitkering per 2 april 2025 ongegrond werd verklaard.
De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van onverwijlde spoed die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoekster stelt dat zij geen inkomen heeft, betalingsonmacht ervaart, geen toegang tot zorg heeft, haar gezondheid achteruitgaat, haar schulden oplopen en er dreiging is van huisuitzetting. Zij heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij haar huur en enkele rekeningen niet heeft betaald en dat zij klant is bij de voedselbank.
De rechtbank overweegt dat ondanks deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat verzoekster zich in een acute financiële noodsituatie bevindt die een spoedeisend belang rechtvaardigt. Er is geen bewijs dat zij niet in aanmerking komt voor bijstand, en de aangevoerde redenen waarom een bijstandsaanvraag niet passend zou zijn, worden niet gevolgd. Er is geen aannemelijke dreiging van huisuitzetting of onomkeerbare situatie.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.