ECLI:NL:RBDHA:2026:3059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL24.26239
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.28 Vb 2000Art. 8 EVRMArt. 4:84 AwbArt. 3.6 Vb 2000Art. 3.6ba Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor pleegkinderen wegens ontbreken aanvaardbare toekomst en gezinsleven

Eiseressen, twee Turkse zussen, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om als pleegkinderen bij hun tante in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat zij in Turkije een aanvaardbare toekomst hadden en er geen sprake was van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Na eerdere procedures en een vernietiging door de Afdeling bestuursrechtspraak, stelde de minister opnieuw dat geen aanvaardbare toekomst ontbrak en dat er geen hechte persoonlijke banden waren.

De rechtbank oordeelt dat eiseressen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Turkije geen aanvaardbare toekomst hebben. Zij wonen bij hun grootouders, die nog steeds voor hen zorgen, en hun leeftijd maakt dat zij een zekere mate van zelfredzaamheid hebben. De aanwijzing van de tante als voogd door een Turkse rechter leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat de familieleden die niet voor hen kunnen zorgen dit vooral om financiële redenen aangeven.

Verder is geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseressen en hun tante, omdat zij niet in gezinsverband samenwonen en de tante niet de primaire verzorger is. De minister heeft een belangenafweging gemaakt waarbij het belang van Nederland bij een strikt toelatingsbeleid zwaarder weegt dan het belang van eiseressen. Ook is voldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen en is de schrijnende situatie niet van toepassing op deze mvv-aanvraag. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de twee Turkse zussen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26239

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres 1,

[eiseres 2], v-nummer: [nummer 2], eiseres 2,
samen: eiseressen
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseressen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam referente]’ (referente) op grond van artikel 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseressen krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseressen hebben een aanvraag ingediend op 10 maart 2020. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 mei 2020 afgewezen. De minister heeft het bezwaar van eiseressen bij besluit van 2 februari 2021 ongegrond verklaard. Het beroep van eiseressen is bij uitspraak van 7 juli 2021 van deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard. [1] Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 augustus 2023 is het hoger beroep van eiseressen tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard. [2] Met het bestreden besluit van 21 juni 2024 heeft de minister het bezwaarschrift van eiseressen wederom ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Raissi als waarnemer van de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiseressen zijn geboren op [geboortedatum] 2002 en hebben de Turkse nationaliteit. Zij zijn tweelingzussen. Zij hebben op veertienjarige leeftijd hun moeder verloren bij een auto-ongeluk. Hun vader was al eerder overleden. Sindsdien verblijven zij bij hun grootouders van moederskant in Turkije. Grootmoeder was in 2017 ook aangewezen als hun voogd. Referente is de tante van eiseressen en zij woont in Nederland met haar Nederlandse partner, [naam partner]. In 2020 heeft een rechtbank in Turkije de voogdij van grootmoeder beëindigd en referente als voogd aangesteld. Eiseressen willen naar Nederland komen om te verblijven bij referente. Daarom hebben zij op 10 maart 2020 mvv-aanvragen ingediend.
3.1.
In het besluit van 18 mei 2020 heeft de minister de aanvragen afgewezen omdat eiseressen in Turkije een aanvaardbare toekomst hadden zodat er geen reden was hen als pleegkind naar Nederland te laten komen. Ook artikel 8 van Pro het EVRM noopte volgens de minister niet tot een vergunning omdat tussen eiseressen en hun tante geen sprake van gezinsleven in de zin van die bepaling. Om die reden hoefde ook geen belangenafweging plaats te vinden. In de uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de Afdeling het hoger beroep van eiseressen gegrond verklaard omdat de minister volgens de Afdeling bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM altijd een belangenafweging moest maken, wat de minister niet had gedaan. De minister moest de belangenafweging alsnog verrichten aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden op het moment van het nemen van het nieuwe besluit. Over de overige gronden van dat hoger beroep heeft de Afdeling zich niet uitgelaten.
3.2.
De minister heeft zich in het nieuwe besluit wederom op het standpunt gesteld dat eiseressen niet in aanmerking komen voor de gevraagde mvv, omdat ze niet voldoen aan de voorwaarden om als pleegkind naar Nederland te komen. Evenmin is sprake van gezinsleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Niet is gebleken dat zij in Turkije geen aanvaardbare toekomst hebben. Volgens de minister is geen sprake van ‘hechte persoonlijke banden’ en hun belangen maken evenmin dat een verblijfsvergunning verleend moet worden. Er wonen nog bloed- of aanverwanten in het land van herkomst die de zorg voor eiseressen op zich kunnen nemen. Hierdoor wordt niet voldaan aan artikel 3.28 van het Vb 2000. Daarom komen eiseressen niet voor inwilliging van de aanvraag in aanmerking.
Voldoen eiseressen aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde mvv?
4. Op grond van artikel 3.28, eerste lid, van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning worden verleend aan een minderjarige vreemdeling die als pleegkind in Nederland wil verblijven en die naar het oordeel van de minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft. Paragraaf B7/3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) vermeldt, voor zover van belang, dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aanneemt dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. De IND neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. Bij de beoordeling hiervan komt de minister beoordelingsruimte toe, zodat de toetsing door de rechter terughoudend moet zijn.
4.1.
Eiseressen voeren aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij in Turkije geen onaanvaardbare toekomst hebben. Er zijn namelijk geen overige familieleden in Turkije die voor eiseressen kunnen en willen zorgen. Dit wordt ook bevestigd in de uitspraak van de Turkse rechter. De minister heeft ten onrechte de inhoud van die uitspraak niet meegenomen in de besluitvorming. Hun grootvader en beide grootmoeders hebben gezondheidsklachten en het grote leeftijdsverschil met hun grootouders leidde tot conflicten. Ook blijkt uit de verklaringen die zijn overgelegd dat geen van de andere familieleden de zorg op zich wil nemen, naast het feit dat ze niet kunnen zorgen voor eiseressen. De minister gaat er ten onrechte aan voorbij dat de familieleden hebben aangegeven dat het voor hen bezwaarlijk is om voor eiseressen te zorgen. Ook hun halfbroer kan niet voor eiseressen zorgen omdat hij op jonge leeftijd is vertrokken en spoorloos is. De halfbroer kon dan ook niet worden gehoord door de Turkse rechter. Verder zijn eiseressen van mening dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat niet duidelijk zou zijn wat de familieleden hebben verklaard tegenover de Turkse rechter en zodra deze verklaringen worden overgelegd, wordt gesteld dat deze stukken niet objectief verifieerbaar zijn. Ook heeft de minister de verklaring van de Turkse advocaat ten onrechte niet meegenomen in de besluitvorming.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Turkije geen aanvaardbare toekomst hebben. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseressen sinds het overlijden van hun moeder bij hun grootouders hebben gewoond, daar zijn opgegroeid en daar, ten tijde van het bestreden besluit, nog steeds woonden. Daarnaast mocht van eiseressen, gelet op hun leeftijd een aanzienlijke mate van zelfredzaamheid worden verwacht. Zij hebben de aanvraag ingediend toen zij ruim 17 jaar oud waren, acht maanden voor hun 18e verjaardag. Ten tijde van de eerste beslissing op bezwaar waren zij reeds meerderjarig en ten tijde van het nu bestreden besluit al ruim 21 jaar oud. Dat referente in Turkije tot voogd is benoemd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de uitspraak van de Turkse rechter volgt weliswaar dat enkele naaste familieleden hebben verklaard dat zij niet voor eiseressen kunnen zorgen en dat de Turkse rechter daarmee rekening heeft gehouden bij de aanwijzing van referente als voogd. De minister mocht echter betrekken dat deze familieleden, met uitzondering van hun grootouders, daarvoor enkel financiële redenen hebben opgegeven. Voorts heeft de minister mogen meewegen dat eiseressen vanuit Nederland ondersteuning van referente krijgen en dat niet is gebleken dat deze ondersteuning niet kan worden voortgezet. De gestelde meningsverschillen tussen eiseressen en hun grootouders zijn op zichzelf niet ongewoon en vormen geen grond voor de conclusie dat verblijf bij de grootouders onmogelijk is. Evenmin is gebleken dat de medische klachten van de grootouders zodanig zijn dat zij de zorg voor eiseressen niet meer kunnen dragen. Daarbij mocht de minister in aanmerking nemen dat van eiseressen, gezien hun leeftijd, verwacht mag worden dat zij in belangrijke mate zelfstandig zijn en deels in de zorg voor hun grootouders kunnen voorzien. Nu eiseressen ten tijde van het bestreden besluit meerderjarig waren, mochten deze omstandigheden worden meegewogen. De stelling dat de grootouders eiseressen uit huis willen zetten, is niet onderbouwd en niet gebleken is dat dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst hebben. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het beleid?
5. Eiseressen voeren aan dat de minister aanleiding had moeten zien om af te wijken van het beleid als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5.1.
Het in paragraaf B7/3.7.1 van de Vc 2000 neergelegde beleid geeft invulling aan de beoordelingsruimte van de minister die voortvloeit uit artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 om te bepalen of sprake is van “geen aanvaardbare toekomst in het land van herkomst”. Zoals hiervoor is overwogen heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de grootouders van eiseressen niet langer in staat zijn om de zorg voor eiseressen op zich te nemen en dat evenmin sprake is van een onaanvaardbare toekomst. Gelet hierop wordt de minister gevolgd in het standpunt dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die moeten leiden tot afwijking van het beleid. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Levert de weigering om een mvv te verlenen een schending van artikel 8 van Pro het EVRM op?
6. Eiseressen voeren aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van hechte en persoonlijke banden met referente. Zij wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2023, waarin is geoordeeld dat de minister niet kan volstaan met de constatering dat zulke banden ontbreken. Volgens eiseressen herhaalt het bestreden besluit slechts het eerder door de Afdeling vernietigde besluit van 2 februari 2021. Eiseressen benadrukken dat referente niet alleen hun tante is, maar tevens hun wettelijk voogd en sinds het overlijden van hun ouders de verantwoordelijke voor hun verzorging en opvoeding. Zij stellen dat de minister hieraan onvoldoende gewicht heeft toegekend. Dat de grootouders de feitelijke verzorging verrichtten, doet volgens hen niet af aan de emotionele band met referente, nu feitelijke verzorging geen voorwaarde is om hechte banden aan te nemen. Bovendien zouden de grootouders hen uit huis hebben gezet, waarna referente naar Turkije is gereisd om hen op te vangen. Uit hun verklaringen blijkt dat zij referente als een moederfiguur zien en sinds het overlijden van hun moeder intensief contact met haar onderhouden. Verder betogen eiseressen dat samenwoning geen vereiste is om hechte banden aan te nemen en dat van referente niet kan worden verlangd dat zij naar Turkije verhuist. Zij heeft haar privéleven, werk, partner en woning in Nederland. Dat van referente wordt verwacht dat zij naar Turkije reist om daar het gezinsleven uit te oefenen en het verrichten van economische activiteiten in Nederland moet stopzetten, is naar het oordeel van het Hof van Justitie onevenredig [3] , aangezien hiermee het uitoefenen van het recht op gezinsleven daadwerkelijk zal worden bemoeilijkt. De eis dat zij het gezinsleven in Turkije moet uitoefenen is volgens eiseressen onevenredig en in strijd met het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel, mede omdat haar partner Unieburger is. Tot slot voeren zij aan dat zij ten tijde van de aanvraag minderjarig waren, wat de minister mee had moeten wegen.
6.1.
De minister neemt op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn pleegouders als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen eiseressen en referente. De minister heeft terecht tegengeworpen dat referente met eiseressen niet in gezinsverband heeft samengewoond. Referente heeft ook niet de rol van (primaire) verzorger gehad voor eiseressen, dat waren de grootouders sinds het overlijden van de ouders. Daarnaast heeft de minister op goede gronden overwogen dat de financiële ondersteuning en het veelvuldige telefonische contact onvoldoende is om hechte persoonlijke banden aan te nemen die de gebruikelijke banden ontstijgen. Dat referente regelmatig naar Turkije reist om eiseressen bij te staan, maakt dat niet anders. Zoals ook op de zitting verklaard door hun gemachtigde verblijven eiseressen nog bij hun grootouders. Dat referente de voogdij over eiseressen heeft gekregen, heeft de minister ook onvoldoende mogen vinden om hechte persoonlijke banden en om beschermingswaardig gezinsleven aan te nemen, omdat dat wel iets zegt over de juridische banden tussen eiseressen en referente, maar niets over de feitelijke. Voor zover eiseressen betogen dat sterkere feitelijke banden niet mogelijk zijn omdat referente zich niet in Turkije kan vestigen, volgt de rechtbank dat niet. Nog daargelaten of de onmogelijkheid om gezinsleven uit te oefenen relevant kan zijn bij het beoordelen van het bestaan van hechte banden, heeft de minister terecht gesteld dat referente met eiseressen het gezinsleven kan uitoefenen in Turkije, nu voor referente niet is gebleken van een objectieve belemmering voor haar om zich bij eiseressen te vestigen in Turkije. Ook heeft de minister kunnen stellen dat referente eiseressen kon of nog steeds kan bezoeken in Turkije. Ten slotte heeft de minister terecht betrokken dat eiseressen ten tijde van de aanvraag al bijna meerderjarig waren. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat er in de feitelijke situatie onvoldoende aanknopingspunten zijn om te spreken van zodanig hechte en persoonlijke banden dat daarmee sprake zou zijn beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de belangenafweging in het voordeel van eiseressen moeten uitvallen?
7. Eiseressen voeren in dit kader aan dat de minister de alsnog gemaakte belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiseressen heeft laten uitvallen. De minister had in het voordeel van eiseressen moeten meewegen dat zij geen beroep zullen doen op de openbare kas, aangezien referente de financiële zorg van eiseressen draagt. Eiseressen worden door referente ondersteund op het gebied van studie, cursussen en sociale behoeftes. Dit blijkt ook uit de verklaring van de school van eiseressen. Daarnaast heeft referente de kamers van eiseressen al volledig ingericht, zodat zij meteen kunnen worden opgevangen als het verblijf aan hen wordt toegekend. Ook heeft de minister in het voordeel van eiseressen moeten wegen dat zij een Engelstalige opleiding volgen, wat een positieve bijdrage zal leveren aan hun integratie in Nederland.
7.1.
Zoals hiervoor weergegeven heeft de Afdeling in de uitspraak van 25 augustus 2023 geoordeeld dat de minister in het geval van eiseressen een belangenafweging had moeten maken. Weliswaar heeft de Afdeling in de uitspraak van 27 maart 2024 [4] geoordeeld dat een belangenafweging niet hoeft te worden gemaakt indien de minister concludeert dat geen sprake is van familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, wat hier het geval is en wat de minister ook deugdelijk heeft onderbouwd, maar vanwege de expliciete opdracht in de uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de minister in het bestreden besluit het belang van eiseressen om bij referente in Nederland te kunnen verblijven afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid bij het voeren van een strikt toelatingsbeleid. Daarom zal de rechtbank de door de minister gemaakte belangenafweging beoordelen.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM betrokken en deze niet ten onrechte in het nadeel van eiseressen laten uitvallen. De minister heeft in het nadeel van eiseressen kunnen meewegen dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseressen en referente. Verder is van belang dat eiseressen hun hele leven in Turkije hebben gewoond en nooit een verblijfsvergunning in Nederland hebben gehad. Het gaat dus om een eerste toelating, waardoor het belang van eiseressen minder zwaar weegt. Bij een eerste toelating rust op Nederland namelijk slechts onder bijzondere omstandigheden een verplichting om de vreemdeling hier verblijf toe te staan. [5] Verder heeft de minister het economisch belang mogen tegenwerpen. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat het daarbij niet alleen gaat om de vraag of referente een eigen inkomen heeft waarmee zij eiseressen kan onderhouden, maar het gaat ook over de bescherming van de arbeidsmarkt en over door de overheid betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Verder heeft de minister ook in het nadeel van eiseressen mogen wegen dat niet is gebleken dat er voor hen geen aanvaardbare toekomst is in Turkije, gelet op hun leeftijd en hun in Turkije wonende naaste bloed- of aanverwanten. Ook heeft de minister mogen stellen dat het niet verlenen van een verblijfsvergunning geen wijziging brengt aan de manier waarop eiseressen tot op heden het door hen gestelde familieleven uitoefenen met referente.
7.3.
De minister heeft op grond van de hierboven genoemde omstandigheden een groter belang kunnen hechten aan het belang van Nederland dan aan het belang van eiseressen. De minister heeft daarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiseressen laten uitvallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden met de belangen van de kinderen in het kader van artikel 3 van Pro het IVRK?
8. Eiseressen voeren aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met artikel 3 van Pro het IVRK, terwijl dit al in bezwaar is aangevoerd. Er is niet gebleken dat de minister rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van eiseressen als nog net minderjarigen ten tijde van de aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister rekening moeten houden met de schrijnende situatie van eiseressen?
9. Eiseressen doen een beroep op artikel 3.6 van het Vb 2000 omdat zij zich in een schrijnende situatie bevinden. Immers, zij zijn beide ouders op zeer jonge leeftijd kwijtgeraakt door een auto-ongeluk waarbij zowel een vader- als moederfiguur volledig is weggevallen. In Turkije was deze tragedie ook een ‘hot item’ waar iedereen over te horen kreeg. Het desbetreffende krantenartikel waar het vorenstaande in terug te vinden is, hebben zij dan ook in de bezwaarprocedure overgelegd. Echter, hier is de minister niet op ingegaan. Ook hebben eiseressen in het land van herkomst veel meegemaakt, gezien het feit dat naast de tante, [naam referente], geen enkel familielid de zorg op zich wil en zal nemen. In de verklaring van eiseressen komt duidelijk naar voren dat ze niet gelukkig zijn en zich geen raad meer weten.
9.1.
Op grond van artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000 kan tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000, indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden was om ambtshalve te toetsen aan schrijnende omstandigheden op grond van artikel 3.6ba van het Vb 2000. Deze bepaling is niet van toepassing bij de aanvraag voor een mvv. Daar komt bij dat, gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 4.2., de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseressen in Turkije geen aanvaardbare toekomst hebben. De rechtbank is het met de minister eens dat eiseressen, als daaraan wel getoetst zou worden, niet in aanmerking zouden komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.6ba van het Vb 2000. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 21/781 (niet gepubliceerd).
2.ABRvS 25 augustus 2023, 202104646/1/V1.
3.HvJ EU 10 juli 2014, C-138/13, ECLI:EU:C:2014:2066 (
5.Uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1285.