ECLI:NL:RBDHA:2026:3058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
09/219013-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met mes in criminele context

Op 14 juli 2025 stak de verdachte de aangever met een groot mes in de zij, waarbij vitale organen werden geraakt. De rechtbank stelde vast dat sprake was van poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer aanvaardde.

De verdediging voerde noodweer aan, stellende dat de verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke aanranding. De rechtbank verwierp dit verweer omdat de situatie van aanranding was beëindigd toen het steekincident plaatsvond; het slachtoffer liep weg met zijn rug naar de verdachte.

De rechtbank oordeelde dat het volwassenstrafrecht van toepassing is gezien de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De opgelegde straf is 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.

De benadeelde partij vorderde €50.000,- immateriële schadevergoeding, waarvan de rechtbank €3.000,- toewijst met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot teruggave van een geldbedrag van €355,- dat in beslag was genomen.

De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Den Haag op 18 februari 2026, waarbij de verdachte tevens werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en een schadevergoedingsmaatregel aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, voor poging tot doodslag; beroep op noodweer verworpen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/219013-25
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 20 oktober 2025 en 16 januari 2026 (beide pro forma) en 4 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.B. Baumgarten naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 4 februari 2026 - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juli 2025 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [de aangever] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes in de rug, althans het lichaam, van die [de aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 juli 2025 te Delft, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [de aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een mes in de rug, althans het lichaam van die [de aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging doordat er sprake is van noodweer.
Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ook ten aanzien van het subsidiaire heeft de raadsman een noodweer-verweer gevoerd.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
De verdachte is op 14 juli 2025 samen met drie andere personen naar de [straatnaam] in Delft gegaan om de aangever op te zoeken. Volgens de verdachte had de aangever zijn telefoon eerder die dag afgepakt en hij wilde zijn telefoon terug. Op de telefoon van zijn vriendin had de verdachte gezien dat zijn telefoon zich daar bevond.
De verdachte is samen met de drie anderen naar de woning gegaan in de portiekflat waar de aangever zich op dat moment bevond. Vervolgens zijn zij allen samen met de aangever met de lift naar beneden gegaan.
De verdachte en de aangever krijgen buiten ruzie, waarbij de aangever de verdachte vastpakt en ook zijn ketting lostrekt. De verdachte heeft verklaard dat hij in de worsteling een mes pakte dat hij bij zich had en het mes in een stekende beweging naar voren heeft bewogen. Hij heeft hierbij de aangever geraakt. Ook heeft de verdachte verklaard dat de aangever op het moment dat hij stak deels met zijn rug naar de verdachte toe stond. De aangever heeft verklaard dat hij wegliep en hij toen iets voelde wat op een vuistslag leek, zich omdraaide en toen het mes van de verdachte zag. Getuige [getuige] zag dat de verdachte met zijn rechterhand uit zijn rechterbroekspijp een mes van ongeveer 30 centimeter trok. Hij zag dat de verdachte daarna de aangever in zijn zij stak met het mes.
Uit de medische informatie en het proces verbaal van bevindingen betreffende de toestand van het slachtoffer volgt dat de aangever met een mes in zijn rug is geraakt en hierdoor zijn nier en lever zijn geraakt. Daardoor zijn bloedingen ontstaan. Een arts van het slachtoffer heeft verklaard dat het mes 15 à 20 centimeter in zijn lichaam was gestoken.
De rechtbank concludeert uit deze feiten en omstandigheden dat de verdachte de aangever met een groot mes in zijn zij heeft gestoken.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of het steken in de zij kwalificeert als een poging tot doodslag.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de aangever wilde doden, zodat geen vol opzet kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is wel bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals in dit geval de dood van de aangever, is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Hiervoor is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar dat de verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen. De vraag is dus in hoeverre de verdachte de hiervoor beschreven aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop willens en wetens heeft aanvaard. De verklaringen van de verdachte bieden geen aanknopingspunten om vaststellingen te doen met betrekking tot het willen en weten ten tijde van het toegepaste geweld, voor zover het gaat om de dood van de aangever als beoogd resultaat. Dat betekent dat de uiterlijke verschijningsvorm de maatstaf is. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra-indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijk kans heeft aanvaard.
De steekwond die de verdachte de aangever heeft toegebracht, levert naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op dat hij hierdoor zou komen te overlijden. Daarvoor is van belang dat de verdachte de aangever in zijn zij heeft gestoken met een groot mes, het mes 15 a 20 centimeter diep in de romp van de aangever kwam en daarbij meerdere organen zijn geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vele vitale organen en bloedvaten bevinden en dat, naar algemene ervaringsregels, een messteek in het bovenlichaam levensbedreigend kan zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het met een groot mes (diep) steken in het bovenlichaam van de aangever, naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer als gevolg, bewust heeft aanvaard.
Concluderend is de rechtbank daarom van oordeel dat de verdachte bij zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever in die zin, dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze door zijn handelen zou komen te overlijden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 14 juli 2025 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [de aangever] van het leven te beroven eenmaal met een mes in de rug van die [de aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen en doet een beroep op noodweer.
Daartoe heeft de verdachte, kort gesteld, aangegeven dat het slachtoffer een ketting van de verdachte afnam. Hierna gaf het slachtoffer hem een kopstoot en een knietje. Omdat hij bang was voor verdere mishandelingen en vernederingen heeft de verdachte het slachtoffer vervolgens gestoken. De aangever stond op dat moment tegenover hem en draaide net een beetje weg naar zijn vrienden.
Gelet op het voorgaande heeft de verdediging verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, zowel ten aanzien van het primair als subsidiair tenlastegelegde.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die een beroep op noodweer(exces) doen slagen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
De rechtbank stelt voorop dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van (onder andere) eigen of eens anders lijf en dat de verdediging tegen die aanranding voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
De verdachte heeft verklaard dat de aangever hem bij zijn kraag vast had gepakt, zijn ketting had afgepakt en vervolgens de verdachte een kopstoot en een knietje gaf. Hij raakte daardoor zo in paniek, dat hij het mes pakte en de aangever stak. Hij richtte niet bewust, hij wilde alleen loskomen en weg uit de situatie.
De rechtbank overweegt dat het verhaal van de verdachte tot op zekere hoogte overeenkomt met dat van de aangever, namelijk het vastpakken en het lostrekken van de ketting. Echter, het dossier biedt geen aanknopingspunten met betrekking tot de kopstoot, het knietje en dat de verdachte niet weg kon komen van de aangever.
Integendeel, de aangever, maar ook getuige [getuige] die samen met de verdachte naar de [straatnaam] was gekomen, verklaren niet over een kopstoot of knietje wat de aangever zou hebben gegeven. Ook hebben zij bij de politie verklaard dat de aangever wegliep en dus met zijn rug naar de verdachte toestond op het moment dat de verdachte met het mes stak.
Ten aanzien van de aanvullende verklaring van getuige [getuige] overweegt de rechtbank dat hij 8 december 2025, bijna vier maanden na het incident, bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zich niet goed kon herinneren wat de feitelijke situatie was voorafgaand en ten tijde van het steken van de aangever door de verdachte. De rechtbank gaat echter uit van de juistheid van de verklaring die getuige [getuige] een dag na het voorval heeft afgelegd bij de politie. Het voorval zat op dat moment vers in zijn herinnering en de laatstgenoemde verklaring vindt ook steun in hetgeen de aangever erover heeft verklaard. Bovendien heeft getuige [getuige] voorafgaand aan zijn verhoor bij de rechter-commissaris contact gehad met de verdachte waardoor de mogelijkheid bestaat hij als gevolg daarvan een voor de verdachte gunstigere verklaring heeft afgelegd.
De rechtbank concludeert dan, anders dan de verdediging heeft betoogd, dat er weliswaar een wederrechtelijke en ogenblikkelijke aanranding was toen de aangever de verdachte bij zijn kraag vast had, maar dat op het moment dat de verdachte zijn mes pakte en stak, deze situatie al weer voorbij was. Immers, de aangever had zich omgedraaid en liep weg. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake was van een situatie waardoor voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen succesvol beroep op noodweer toekomt nu er geen sprake was van een noodweersituatie.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het volwassenstrafrecht moet worden toegepast, omdat er – ondanks het laatste reclasseringsadvies – sprake is van te veel contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van de avondklok.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht van toepassing moet worden verklaard.
Indien de rechtbank toch het volwassenstrafrecht van toepassing acht, stelt de verdediging zich op het standpunt dat in het voordeel van de verdachte de omstandigheden moeten worden meegenomen waaronder het feit is gepleegd, alsmede de proceshouding van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Gelet op het voorgaande verzoekt de raadsman aan de verdachte een lagere, deels voorwaardelijke, straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Tussen de verdachte en het slachtoffer bestond een conflict dat zich voordeed in het criminele milieu. Het slachtoffer had eerder op de dag de (dealer-)telefoon van de verdachte afgepakt en de verdachte wilde zijn telefoon terug. Bewapend met een mes en een honkbalknuppel en samen met drie anderen heeft hij het slachtoffer bij een woning opgezocht. Nadat het slachtoffer de ketting van de verdachte had afgepakt en zich had omgedraaid en van hem was weggelopen, heeft de verdachte het slachtoffer met zijn mes gestoken en daarbij zijn nier en lever geraakt. De verdachte is vervolgens op de vlucht geslagen. Door adequaat ingrijpen van omstanders en hulpverleners is voorkomen dat het slachtoffer is overleden.
Door zijn handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien maakt een dergelijke steekpartij, die op straat voor een portiekflat heeft plaatsgevonden en waarvan de buurtbewoners de gevolgen hebben kunnen zien, een grote inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken dergelijke ernstige feiten gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.
Het baart de rechtbank zorgen dat de verdachte, ondanks dat hij naar eigen zeggen wist dat het slachtoffer als gewelddadig bekend zou staan, toch de confrontatie opzoekt en zich daarbij goed voorbereid door wapens mee te nemen. Hij lijkt daarmee het risico ingecalculeerd te hebben dat het daadwerkelijk tot een confrontatie met geweld zou komen. De rechtbank neemt het dit zeer kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 september 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie, maar nog niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 oktober 2025. Daaruit volgt dat de reclassering de indruk heeft dat de verdachte niet in staat is om zijn leven op zelfstandige wijze in te richten. Zonder hulp van anderen lukt het hem niet om zijn financiën te organiseren en om werk te vinden en te behouden. Daarnaast zou de verdachte om met de verkeerde vrienden en is hij beïnvloedbaar voor deze mensen. Gezien deze situatie kan de reclassering nieuw delictgedrag niet uitsluiten en vindt de reclassering hulpverlening in gedwongen kader geïndiceerd.
De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit omdat de verdachte kampt met leerproblemen, niet in staat is zijn financiën, werk en leven zelfstandig in te richten en nog afhankelijk is van zijn moeder
Toepasselijk recht
Gelet op de leeftijd van de verdachte ligt de vraag voor of het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan de rechtbank ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh Sr.
Hoewel er in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte indicaties zijn om in de onderhavige zaak het jeugdstrafrecht toe te passen wegen de contra-indicaties om dat niet te doen en het volwassenenstrafrecht toe te passen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder. De verdachte is nog erg jong, woont bij zijn moeder en heeft geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Ook is hij erg beïnvloedbaar. Anderzijds heeft de verdachte, gelet op het rapport van de reclassering van april 2025, een tijdlang twee bijbanen gehad en was hij niet schoolgaand. Thans is de verdachte al langere tijd actief in het criminele milieu en de drugshandel. Hij neemt zelfstandig beslissingen en is kennelijk in staat zijn leven zelfstandig in te richten zij het dat hij dat doet in een criminele context. Zoals gezegd heeft de reclassering eerder ook de toepassing van het volwassenenstrafrecht geadviseerd en de argumenten in het recente reclasseringsrapport om het jeugdstrafrecht toe te passen zijn mede in het licht van het eerdere rapport naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het volwassenenstrafrecht toegepast dient te worden.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het feit dat de verdachte heel erg jong is, op het moment van het plegen van het delict was hij net 18 jaar oud.
De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
De rechtbank zal een deel van die straf, namelijk 15 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden met uitzondering van de avondklok en met toevoeging van een contactverbod met het slachtoffer verbinden. Dit om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering
[de aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 50.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van ongeveer € 10.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het slachtoffer een dermate groot aandeel heeft gehad in de situatie dat daardoor de hoogte van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen en de beoordeling van een dergelijke vordering een onevenredige belasting zal vormen voor het strafproces. De raadsman verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,00 . De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [de aangever] .
8. De inbeslaggenomen voorwerpen
8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag van
€ 355,00 moet worden teruggegeven aan de verdachte, nu dit is aangetroffen bij de aangever maar die het geldbedrag eerder die dag had afgepakt van de verdachte.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 355,00.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, primair:
poging tot doodslag;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een
gedeelte van die straf, groot 15 (vijftien) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [de aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2002, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op de Bezuidenhoutseweg 179 in Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en zich houdt aan het traject wat Jongerensteunpunt 070 voor hem opstelt;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan een traject bij het Jongerenperspectief Fonds;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [de aangever] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [de aangever] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
gelast de teruggave aan de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 355 EUR (PL1500-2025236673-3379269).
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.A. van Essen, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. N.F.R. de Rooij, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2026.