ECLI:NL:RBDHA:2026:3021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/09/698279 KG ZA 26-81/ KG ZA 26-81
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a RvArt. 438 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opschorting executie en opheffing beslag in executiegeschil

Deze zaak betreft een executiegeschil over de tenuitvoerlegging van een vonnis van 13 maart 2024, waarbij eisers zijn veroordeeld tot betaling aan gedaagde van een aanzienlijk bedrag wegens gebrekkig opgeleverd werk.

Eisers vorderen in kort geding dat de executie van het vonnis wordt opgeschort en dat het beslag op twee woningen wordt opgeheven. Zij stellen dat sprake is van een kennelijke feitelijke en juridische misslag in het vonnis en dat het beslag disproportioneel is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een kennelijke misslag en dat de belangenafweging uitwijst dat het belang van gedaagde bij nakoming van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van eisers bij het behoud van de bestaande situatie. Eisers beschikken over een andere woning waar zij kunnen verblijven, en er is onvoldoende onderbouwing dat de ene woning meer verhaal biedt dan de andere.

De vorderingen worden daarom afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eisers af en veroordeelt hen in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698279 KG ZA 26-81/ KG ZA 26-81
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 4 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] ,te [woonplaats] ,

2. [eiseres]te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. J.P. Sanchez-Montoto te Amstelveen,
tegen:
[gedaagde] B.V.te [plaats] ,
gedaagde,
advocaten mrs. M.M. van den Boomen en J. Duitsman te Helmond.
Eisers worden hierna afzonderlijk aangeduid als [eiser] en [eiseres] en gezamenlijk als [eisers] c.s. Gedaagde wordt hierna aangeduid als [gedaagde] .
Aanwezig is mr. T.F. Hesselink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L.G.C. Philippo, griffier.
Tevens zijn aanwezig de heer [eiser] en zijn zoon die als tolk Turks<->Nederlands optreedt, vergezeld van mr. Sanchez-Montoto en de heer [naam 1] namens [gedaagde] , vergezeld van mrs. Van den Boomen en Duitsman.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil in onderling overleg te beëindigen. Tijdens deze schorsing hebben partijen geen overeenstemming bereikt.
Na hervatting van de zitting hebben partijen onder begeleiding van de voorzieningenrechter verder gesproken over een mogelijke minnelijke regeling, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid. Derhalve is om vonnis verzocht. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
Deze zaak gaat over de executie van het vonnis dat is gewezen op 13 maart 2024 door de rechtbank Den Haag, met kenmerk C/09/599784 / HA ZA 20-923. In die procedure trad [gedaagde] op als eiser en was [eiser] de gedaagde partij. Het geschil betrof de eindafrekening van acht door [eiser] uitgevoerde en moeizaam verlopen verbouwingen van panden in Den Haag in de periode van 2018 tot en met 2020. Bij dit vonnis van 13 maart 2024 is [eiser] veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 194.566,23, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2020 en de proceskosten. In ditzelfde vonnis is [eiser] voorts veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van alle door [gedaagde] geleden en te lijden schade wegens het door [eiser] gebrekkig opgeleverde werk aan de [adres 1] , nader op te maken bij staat.
1.2.
Op 28 februari 2024 is ook een vonnis gewezen (met zaak-/rolnummer C/09/618002 / HA ZA 21-835). Dit betrof een procedure tussen [eiser] als eiser en de heer [naam 1] (tevens (indirect) bestuurder van [gedaagde] ) en diens echtgenote [naam 2] als gedaagden. Dit ging om de eindafrekening voor de mislukte verbouwing van de woning aan de Noordweg 50 te Den Haag. In die procedure zijn [naam 1] en [naam 2] veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 98,075,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2021 en de proceskosten.
1.3.
[gedaagde] heeft conservatoir beslag gelegd op een tweetal panden waarvan [eiser] , samen met zijn echtgenote [eiseres] , eigenaar is. Dit zijn de woningen met het adres [adres 2] en [adres 3] . Door de veroordeling van de bodemrechter in het hiervoor genoemde vonnis van 13 maart 2024 zijn de conservatoire beslagen executoriaal geworden. [gedaagde] heeft veiling van de woning aan het [adres 2] aangezegd tegen 12 maart 2026. Die veiling is overgenomen door de bank, omdat er een hypotheek op het pand rust. De bank heeft aangegeven bereid te zijn de veiling op te schorten, onder de voorwaarde de dat de veiling in kort geding wordt opgeschort.
1.4.
In deze procedure vorderen [eisers] c.s., na wijziging van eis, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] wordt verboden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de executie van de onroerende zaak aan het [adres 2] dan wel deze op te schorten, op straffe van een dwangsom van € 1.500,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij zich hieraan niet houdt, met een maximum van € 100.000,--;
II. [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis het ten laste van [eisers] c.s. gelegde (executoriaal) beslag op de onroerende zaak aan de [adres 3] op te heffen en opgeheven te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.500,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij zich hieraan niet houdt tot een maximum van € 100.000,--;
III. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
1.5.
Op de zitting zijn de vorderingen van [eisers] c.s. nader toegelicht. Door [gedaagde] is verweer gevoerd.
1.6.
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.
1.7.
Het gaat hier om een executiegeschil ex artikel 438 Rv Pro. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij – zoals hier – uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Dat is in dit geval [gedaagde] .
Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde, [eiser] in dit geval, bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het hoger beroep is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet, behoudens het geval dat sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, in beginsel worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing.
1.8.
In de bestreden beslissing heeft de rechter geen gemotiveerd oordeel gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad. Om die reden moet ervan uit worden gegaan dat nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. Deze afweging dient derhalve in deze kortgedingprocedure alsnog te worden gemaakt. Daarbij kunnen zowel omstandigheden van vóór als ná de bestreden beslissing van belang zijn (vgl. HR 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026).
1.9.
[eisers] c.s. stellen dat sprake is van een juridische misslag in het vonnis van 13 maart 2024, omdat de rechtbank geen deskundige heeft benoemd, terwijl [eiser] daar in die bodemprocedure wel om had gevraagd. Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet kwalificeert als een evidente juridische misslag in het betreffende vonnis die meebrengt dat niet moet worden uitgegaan van dit bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen.
1.10.
Ook in het standpunt dat sprake is van een feitelijke misslag in het vonnis worden [eisers] c.s. niet gevolgd. Zij hebben gesteld dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op basis van een incompleet dossier en dat in hoger beroep is gebleken dat er kleurenfoto’s ontbreken bij een door [gedaagde] ingebracht deskundigenrapport, maar [eisers] c.s. hebben nagelaten om aan te geven met welke feiten de bodemrechter daardoor geen rekening heeft kunnen houden en wat het gevolg daarvan is voor het in de bodemprocedure gegeven oordeel. Dit betekent dat [eisers] c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat in het betreffende vonnis op de door hen aangevoerde gronden sprake is van een feitelijke misslag.
1.11.
De verder door [eisers] c.s. aangevoerde omstandigheid dat [eiser] de vordering van [gedaagde] betwist en dat hij een forse tegenvordering heeft op [naam 1] en [naam 2] , is niet relevant voor de vraag of sprake is van een kennelijke misslag. De gestelde redelijke verwachting dat een contra-expertise in het hoger beroep tot een ander oordeel zal leiden, is dat evenmin. De kans van slagen van het hoger beroep wordt – zoals hiervoor gezegd – in beginsel buiten beschouwing gelaten.
1.12.
[eisers] c.s. hebben ook nog aangevoerd dat [gedaagde] [eiser] belemmert in de mogelijkheid om een contra-expertise te laten uitvoeren, doordat zij de daarvoor benodigde kleurenfoto’s achterhoudt. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist over die kleurenfoto’s te beschikken en toegelicht dat ook de deskundige zegt deze niet te hebben. Bij die stand van zaken is voorshands niet aannemelijk dat [gedaagde] [eiser] belemmert in de mogelijkheid contra-expertise uit te laten voeren, zoals [eisers] c.s. hebben gesteld.
1.13.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is gebleken van een kennelijke feitelijke of juridische misslag in het vonnis van 13 maart 2024. Dit betekent dat bij de te maken belangenafweging in beginsel moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing.
1.14.
Afweging van de betrokken belangen valt niet uit in het voordeel van [eisers] c.s. en leidt dus niet tot de conclusie dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij uitvoering van de veroordeling. Daarvoor is het volgende redengevend. Ter zitting hebben [eisers] c.s. gesteld dat zij samen eigenaar zijn van twee woningen: de woning aan het [adres 2] waarin zij wonen en de woning aan de [adres 3] waarin hun zoon woont, maar welke woning binnenkort vrijkomt. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat hij ervan uitgaat dat er een overwaarde van € 700.000,00 zit op de woning aan het [adres 2] . Hij heeft ook gesteld dat de andere beslagen woning, de woning aan de [adres 3] , ook voldoende waarde heeft om de vordering van [gedaagde] uit te voldoen. Hij heeft daarom de voorkeur uitgesproken dat die laatste woning wordt geveild in plaats van de woning aan het [adres 2] .
1.15.
[gedaagde] heeft toegelicht dat zij, tot aan de comparitie na aanbrengen van de procedure bij het hof, heeft geprobeerd om met [eisers] c.s. tot een vergelijk te komen en dat dat niet is gelukt en dat daar veel tijd mee heen is gegaan en dat zij gelet op de omvang van haar vordering en het verschil tussen de toegewezen bedragen in beide procedures, nu haar recht op basis van het vonnis wil uitoefenen.
1.16.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij nakoming van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van [eisers] c.s. bij het voorkomen van de veiling van hun woning aan het [adres 2] . Daarvoor is relevant dat zij eigenaar zijn van een andere woning, de woning aan de [adres 3] , die leegkomt, waar zij kunnen intrekken, zodat zij bij veiling van de woning aan het [adres 2] in elk geval niet dakloos worden. De voorzieningenrechter overweegt verder dat in het beperkte bestek van dit kort geding – bij gebrek aan enige onderbouwing van [eisers] c.s. – niet is vast te stellen dat de ene woning meer of volledig verhaal zou bieden en de andere woning niet. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat indien [eisers] c.s. er de voorkeur aan geven dat de woning aan de [adres 3] wordt verkocht in plaats van de woning aan het [adres 2] , het op hun weg ligt ervoor te zorgen dat de woning aan de [adres 3] wordt verkocht en dat met de opbrengst daarvan de vordering van [gedaagde] op [eiser] wordt betaald om de veiling van de woning aan het [adres 2] af te wenden. Dat alles maakt dat de slotsom is dat na afweging van de betrokken belangen niet in het voordeel van [eisers] c.s. wordt beslist.
1.17.
[eisers] c.s. hebben ook nog gevorderd om in ieder geval het beslag op de woning aan de [adres 3] op te heffen. Daartoe hebben zij aangevoerd dat veiling van de woning aan het [adres 2] voldoende zal opbrengen om de vordering van [gedaagde] te voldoen zodat het beslag op de woning aan de [adres 3] disproportioneel is. De voorzieningenrechter gaat daarin niet mee en overweegt dat dit standpunt op geen enkele wijze is onderbouwd zodat, zolang de woning aan het [adres 2] niet geveild is, niet met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat die woning voldoende zal opbrengen voor volledig verhaal. Bij die stand van zaken is er, zonder nadere onderbouwing van deze vordering die ontbreekt, onvoldoende grond voor het opheffen van het beslag op de woning aan de [adres 3] .
1.18.
De slotsom is dat de vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen
1.19.
[eisers] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,--
1.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst de vorderingen van [eisers] c.s. af;
2.2.
veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten van € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [eisers] c.s. € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
2.3.
veroordeelt [eisers] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
2.4.
verklaart de beslissingen onder 2.2 en 2.3 uitvoerbaar bij voorraad.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. L.G.C. Philippo mr. T.F. Hesselink
de griffier is buiten staat
dit proces-verbaal mede
te ondertekenen