ECLI:NL:RBDHA:2026:3009
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- N. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging logeerregeling niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het voornemen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) om haar logeerregeling te beëindigen en haar over te plaatsen naar een opvanglocatie. De logeerregeling houdt in dat verzoekster tijdelijk bij familie, vrienden of een gastgezin verblijft met behoud van bepaalde verstrekkingen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was. Verzoekster kon niet aantonen dat er een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een besluit was ingesteld, terwijl dit een vereiste is voor ontvankelijkheid van een voorlopige voorziening volgens artikel 8:81 Awb Pro.
Het COa stelde dat het asielverzoek van verzoekster door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kennelijk ongegrond was verklaard en dat het gesprek op 18 februari 2026 zou bepalen of de logeerregeling zou worden beëindigd. Omdat er nog geen formeel besluit was genomen en geen bezwaar- of beroepsprocedure was gestart, was het verzoek te vroeg ingediend.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een connex bodemprocedure en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de logeerregeling is niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen wegens het ontbreken van een connex bodemprocedure.