ECLI:NL:RBDHA:2026:2992

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
24/9709
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf, welke door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen bij besluit van 2 januari 2024. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd bij besluit van 4 juni 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag in een andere zaak (zaaknummer AWB 24/9582) reeds op het beroep heeft beslist, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 3 februari 2026 en een afschrift is aan partijen verzonden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de visumaanvraag is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/9709

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van der Meulen).

Inleiding

Bij besluit van 2 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 4 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer AWB 24/9582, heeft de rechtbank op het beroep beslist. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.