ECLI:NL:RBDHA:2026:2992
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf, welke door de minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen bij besluit van 2 januari 2024. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd bij besluit van 4 juni 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag in een andere zaak (zaaknummer AWB 24/9582) reeds op het beroep heeft beslist, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 3 februari 2026 en een afschrift is aan partijen verzonden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de visumaanvraag is afgewezen.