Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.DE VERENIGING VEILIGHEIDSDOMEIN NEDERLAND te Maastricht,
DE VERENIGING ALTERNATIEF VOOR VAKBONDte Amsterdam,
1.DE NEDERLANDSE VEILIGHEIDSBRANCHE te Gorinchem,2. DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING te Utrecht,
CNVte Utrecht,
DE UNIEte Culemborg,
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
3.De feiten
cao PB-2019), de cao Particuliere Beveiliging 2021-2023 (hierna:
cao PB-2021) en de cao Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging 2021-2026 (hierna:
cao SFPB-2021) hebben afgesloten.
cao PB-2019en per 4 mei 2021 de
cao PB-2021en de
cao SFPB-2021algemeen verbindend verklaard, waardoor de bepalingen van die regelingen vanaf die momenten van toepassing waren op alle werkgevers en werknemers in, kort gezegd, de beveiligingsbranche.
cao PB-2019toegewezen. Op het bezwaar van de cao-partijen heeft de minister de toewijzing van het dispensatieverzoek gehandhaafd. Het beroep daartegen heeft de rechtbank Midden-Nederland bij uitspraak van 20 juli 2021 gegrond verklaard, waarbij (onder meer) het dispensatiebesluit is herroepen.
cao PB-2021en de
cao SFPB-2021bij besluiten van 20 en 22 oktober 2021 afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 5 oktober 2022 heeft de minister de dispensatie alsnog verleend. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 8 december 2023 het beroep van de cao-partijen tegen die besluiten gegrond verklaard, waarna de dispensatieverzoeken door de minister gedeeltelijk zijn toegewezen.
cao PB-2019) dan wel VVNL en AVV (ten aanzien van de
cao PB-2021en de
cao SFPB-2021) hebben hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor onder 3.5 en 3.6 genoemde uitspraken. Op 30 oktober 2024 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in deze zaken. [1] De Afdeling heeft het beroep van VVNL en De Unie (de
cao PB-2019) en het beroep van VVNL en AVV (de
cao PB-2021en de
cao SFPB-2021) ongegrond verklaard. In die laatste zaak is het beroep van De Nederlandse Veiligheidsbranche en anderen gegrond verklaard, op grond waarvan het (nadere) besluit waarin de dispensatieverzoeken gedeeltelijk zijn toegewezen (zie hiervoor onder 3.6) alsnog is vernietigd. Kort samengevat komt het oordeel van de Afdeling er op neer dat, op grond van de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: de Wet AVV) en het Toetsingskader algemeenverbindendverklaring cao-bepalingen (AVV) (hierna: het Toetsingskader AVV), VVNL en De Unie c.q. AVV niet voldeden aan de voor dispensatie geldende voorwaarden en zij daarom gebonden zijn aan de algemeen verbindend verklaarde cao’s.
4.Het geschil
Köbler-arrest. [2]
Köbler-arrest niet van toepassing is omdat er geen Unierecht aan de orde was in de procedures bij de Afdeling. Mocht dat toetsingskader wel van toepassing zijn, dan stelt de Staat zich op het standpunt dat de
Köbler-voorwaarden voor lidstaataansprakelijkheid niet zijn vervuld. Er is namelijk geen verplichting tot ambtshalve toetsing aan artikelen 28 en 47 Handvest, geen schending van de verwijzingsplicht uit artikel 267 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en ook niet van de daaruit voortvloeiende motiveringsplicht.
5.De beoordeling
Köbler-arrest heeft het HvJEU geoordeeld dat een lidstaat onder bepaalde omstandigheden aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die het gevolg is van de beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie. Daarvoor is allereerst vereist dat Unierecht aan de orde is en dat sprake is van een schending van dat Unierecht. Daarnaast moet volgens het HvJEU aan drie voorwaarden zijn voldaan, te weten:
Köbler-arrest), moet de nationale rechter bij wie een schadevordering is ingediend met alle aspecten rekening houden die de hem voorgelegde situatie kenmerken. Daarbij zijn onder meer de volgende gezichtspunten relevant: [3]
Köbler-jurisprudentie neergelegde toetsingskader alleen van toepassing is als in de hoofdzaak – in dit geval de procedures bij de Afdeling – Unierecht aan de orde is. Uit vaste rechtspraak van het HvJEU volgt dat het Unierecht van toepassing is in een juridische situatie die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Er dient, met andere woorden, een band te bestaan tussen het voorwerp van het nationaalrechtelijke geschil en het recht van de Unie. [4] Partijen twisten in deze procedure over de vraag of Unierecht aan de orde was in de procedures bij de Afdeling.
Köbler-arrest niet van toepassing is op het onderhavige geval. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de stellingen die VVNL c.s. in verband daarmee hebben ingenomen, zoals de stelling dat de Afdeling ten onrechte niet (ambtshalve) heeft getoetst aan artikel 28 en Pro 47 Handvest en de stelling dat de Afdeling ten onrechte heeft nagelaten om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.