Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 6 augustus 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 10 december 2025 in gebreke, waarna zij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en dat eiseres het beroep terecht heeft ingesteld. Omdat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op met een maximum van € 15.000,- voor het overschrijden van deze termijn. Omdat de wettelijke bepalingen over bestuurlijke dwangsommen per 15 april 2025 niet meer van kracht zijn en de minister niet vóór die datum in gebreke is gesteld, kan de rechtbank de reeds verbeurde dwangsom niet vaststellen.
Verder veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 467,-, omdat zij een professionele gemachtigde inschakelde en het beroep gegrond is verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 5 februari 2026.