ECLI:NL:RBDHA:2026:2956
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel aan terugkeervoornemen
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, vroeg op 4 december 2023 een visum voor kort verblijf aan om zijn broer in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko, vanwege onvoldoende sociale en economische binding.
Eiser betoogde dat hij wel degelijk voldoende bindingen heeft, zoals zorg voor zijn moeder en zus, en werkzaamheden in landbouw en veeteelt. Hij overhandigde foto’s en andere bewijsstukken, maar kon geen rekeningoverzichten tonen vanwege contante transacties. Verweerder vond de bewijsstukken onvoldoende overtuigend.
De rechtbank oordeelde dat verweerder in redelijkheid mocht twijfelen aan het terugkeervoornemen, mede omdat eiser ongehuwd is, geen kinderen heeft, en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij substantieel inkomen genereert. Ook het garantstellen door de referent en het Mobility Partnership tussen EU en Marokko konden dit oordeel niet veranderen.
Verder was het terecht dat verweerder afzag van het horen van eiser in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Ook was het juist dat verweerder geen dwangsom toekende wegens niet tijdig beslissen.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen visum krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het visum wordt niet verleend.