Eiser, afkomstig uit Syrië, diende een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in op 22 mei 2024. De minister moest uiterlijk binnen zes maanden beslissen, maar verlengde aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden onder een besluitmoratorium voor Syrië. Dit moratorium werd later ingetrokken, waardoor de beslistermijn weer zes maanden bedroeg. De aanvraag viel onder het moratorium, waardoor de beslistermijn maximaal 21 maanden kon zijn.
Eiser stelde de minister op 24 november 2025 schriftelijk in gebreke, waarna het beroep ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de minister niet tijdig had beslist en legde een nadere beslistermijn van zestien weken op, waarbij binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna een besluit moet worden genomen.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. De minister werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, rekening houdend met de professionele juridische bijstand van eiser.
De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 15 januari 2026. De rechtbank vernietigde het niet tijdig genomen besluit en gaf eiser gelijk in zijn beroep.