ECLI:NL:RBDHA:2026:2951

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL26.2892
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 VwVerordening (EU) Nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublinverordening

Verzoekers dienden asielaanvragen in die door verweerder niet in behandeling werden genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. De rechtbank had eerder het besluit van 21 oktober 2025 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij het bestreden besluit van 16 januari 2026 werd opnieuw geweigerd de aanvragen te behandelen. Verzoekers stelden beroep in en verzochten om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat het beroep waarschijnlijk niet binnen de overdrachtstermijn van 30 maart 2026 kon worden behandeld.

De voorzieningenrechter vond het belang van verzoekers om bij de behandeling aanwezig te zijn zwaarder wegen dan het belang van verweerder om hen al over te dragen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, de overdracht opgeschort en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Duitsland wordt opgeschort totdat het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2892

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , v-nummer: [V-nummer 1] , verzoeker,

[verzoekster], v-nummer: [V-nummer 2] , verzoekster,
mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen:
[kind 1], v-nummer: [V-nummer 3] ,
[kind 2], v-nummer: [V-nummer 4] ,
[kind 3], v-nummer: [V-nummer 5] ,
hierna gezamenlijk te noemen verzoekers,
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 23 december 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2025 gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van verzoekers. [1]
Bij het besluit van 16 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder nogmaals een besluit genomen en de asielaanvraag van verzoekers niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. [2]

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. De asielaanvragen van verzoekers zijn niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, [3] omdat volgens verweerder Duitsland verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. [4] Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoekers dienen te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoekers hoogstwaarschijnlijk niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn, die in dit geval eindigt op 30 maart 2026. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekers om bij de behandeling van hun beroep aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoekers daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat het beroep op korte termijn, te weten op 26 maart 2026, op zitting zal worden behandeld en de uiterste overdrachtstermijn ten gevolge van deze uitspraak wordt opgeschort.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgelegd op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoekers niet mogen worden overgedragen zolang niet op het beroep tegen het bestreden besluit (NL26.2891) is beslist;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers tot een bedragen van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verordening (EU) Nr. 604/2013.