ECLI:NL:RBDHA:2026:2937
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken gronden bij afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen in een besluit van 22 november 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet een verzoekschrift ten minste de gronden van het verzoek bevatten. Omdat verzoeker geen gronden had ingediend, werd hem meerdere malen verzocht deze alsnog aan te leveren. Op deze verzoeken kwam geen reactie.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, wat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk werd behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.