ECLI:NL:RBDHA:2026:2937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
AWB 21 7384
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken gronden bij afwijzing verblijfsvergunning

Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen in een besluit van 22 november 2021. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet een verzoekschrift ten minste de gronden van het verzoek bevatten. Omdat verzoeker geen gronden had ingediend, werd hem meerdere malen verzocht deze alsnog aan te leveren. Op deze verzoeken kwam geen reactie.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, wat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk werd behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/7384
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer] ,
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 22 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier afgewezen.
Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 8:81, vierde lid, van de Awb bevat het verzoekschrift ten minste de gronden van het verzoek. Dat zijn de redenen waarom er om een voorlopige voorziening wordt verzocht.
2. Als er geen gronden worden ingediend, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 6:6 en Pro artikel 8:81, vierde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het verzoek niet inhoudelijk wordt behandeld. De voorzieningenrechter moet dan wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
3. Het verzoekschrift van verzoeker bevat geen gronden. Daarom heeft de voorzieningenrechter bij brief van 28 december 2021 en per aangetekende brief van 13 juni 2022 aan verzoeker gevraagd om gronden in te dienen. Op deze brieven is geen reactie gekomen.
4. Gelet hierop is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.