ECLI:NL:RBDHA:2026:290

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.59271
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Bulgarije

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening omdat de rechtbank niet binnen de overdrachtstermijn uitspraak kan doen.

De zitting van het beroep was gepland op 7 januari 2026, maar is vanwege ziekte van de gemachtigde uitgesteld. De overdrachtstermijn eindigt op 16 februari 2026, waardoor het onwaarschijnlijk is dat de rechtbank tijdig uitspraak doet. De voorzieningenrechter concludeert dat onverwijlde spoed aanwezig is en wijst het verzoek toe.

De voorzieningenrechter bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije totdat op het beroep is beslist. Tevens worden de proceskosten van verzoeker aan verweerder opgelegd, vastgesteld op € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoeker mag niet aan Bulgarije worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59271

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Verzoeker heeft op 3 december 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
2.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank binnen de uiterste overdrachtstermijn geen uitspraak kan doen op het beroep. Het beroep stond op 7 januari 2026 op zitting gepland. Vanwege ziekte van de gemachtigde kan het beroep niet op deze zitting worden behandeld en is de behandeling van het beroep uitgesteld tot nadere datum. Omdat de overdrachtstermijn van verzoeker op 16 februari 2026 eindigt, is het onwaarschijnlijk dat de rechtbank vóór deze datum uitspraak kan doen op het beroep. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
2.2
De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoeker er belang bij heeft om niet te worden overgedragen naar Bulgarije voordat op zijn beroep is beslist. Als geen voorlopige voorziening wordt getroffen zal de uiterste overdrachtsdatum waarschijnlijk verstrijken voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. Dit terwijl de minister er belang bij heeft verzoeker voor het verstrijken van deze termijn aan Bulgarije over te dragen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe.
3.1.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije totdat is beslist op het beroep met zaaknummer NL25.59270;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.