De rechtbank Den Haag behandelde op 16 januari 2026 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een minderjarige moeder meerderjarig te verklaren. Dit verzoek is gedaan op grond van artikel 1:253ha BW, zodat zij het gezag over haar kind kan uitoefenen. De moeder is geboren in 2008 en heeft een kind geboren in 2025. De ouders hadden ten onrechte gedacht dat zij gezamenlijk gezag hadden, maar door de minderjarigheid van de moeder ontstond een gezagsvacuüm.
De Raad voerde een onderzoek uit en concludeerde dat meerderjarigverklaring in het belang is van zowel de moeder als het kind. De moeder stelt zich verantwoordelijk op, voorziet in de basiszorg, werkt en gaat weer naar school. Hoewel er zorgen zijn over de communicatie met de vader, zijn deze niet zwaarwegend genoeg om het verzoek te weigeren. Eventuele begeleiding kan via een ondertoezichtstelling worden geregeld.
De meerderjarigverklaring leidt ertoe dat de moeder voortaan het gezag over haar kind uitoefent. De vader heeft het kind erkend, maar wordt pas automatisch gezagsdrager als de moeder meerderjarig wordt door leeftijd. De ouders gaven aan gezamenlijk gezag te willen en zullen dit binnen een week na beschikking laten registreren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is uitgesproken door kinderrechter A.S. Perniciaro.