ECLI:NL:RBDHA:2026:2890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/09/676717 / FA RK 24-8687
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BWArt. 1:400 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met eenhoofdig gezag, ontzegging omgangsrecht en kinderalimentatie vastgesteld

Partijen zijn gehuwd in 2024 en hebben een minderjarige dochter. De rechtbank behandelt het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen waaronder gezag, omgangsrecht, hoofdverblijfplaats, kinderalimentatie en verdeling van de inboedel.

De man is in september 2025 veroordeeld wegens mishandeling van de vrouw en heeft een contactverbod van drie jaar. De vrouw verzoekt eenhoofdig gezag toe te kennen aan haar en het omgangsrecht van de man te ontzeggen. De rechtbank oordeelt dat gezamenlijk gezag niet uitvoerbaar is vanwege het contactverbod en de veiligheid van het kind. De hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld bij de vrouw.

De rechtbank wijst het verzoek tot ontzegging van het omgangsrecht toe vanwege het contactverbod, eerdere veroordelingen en het belang van het kind. Een informatieregeling wordt afgewezen. De behoefte van het kind wordt vastgesteld op €880 per maand, waarbij de draagkracht van partijen wordt berekend. De man moet €156,90 per maand kinderalimentatie betalen. Verzoeken van de man tot informatieregeling en verdeling van de inboedel worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de echtscheiding toe, kent eenhoofdig gezag toe aan de moeder, ontzegt de vader het omgangsrecht en stelt kinderalimentatie vast op €156,90 per maand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-8687 (scheiding) en
FA RK 25-9611 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Zaaknummers: C/09/676717 (scheiding) en C/09/696387 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Datum beschikking: 16 januari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 4 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Braat te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 20 december 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het F9-formulier van 24 november 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen en een gewijzigd verzoekschrift;
- het verweerschrift tegen het gewijzigd verzoek;
- twee F9-formulieren van 1 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 1 december 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 2 december 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
- het F9-formulier van 3 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage.
Op 12 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2024 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van het volgende kind:
- -
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te
[geboorteplaats 1] .
- [de minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 18 december 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende een voorlopige kinderalimentatie van € 203,- per maand, door de man aan de vrouw te betalen.
- Bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 29 september 2025 is de man veroordeeld wegens mishandeling van de vrouw en is de man – voor zover relevant voor deze procedure – (onder meer) een contactverbod van drie jaar opgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over [de minderjarige] ;
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw;
- de man het recht op omgang met [de minderjarige] te ontzeggen en te bepalen dat de wettelijke informatie- en consultatieplicht van de vrouw jegens de man buiten toepassing blijft;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 857,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het (gewijzigd) verzoekschrift;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na wijziging, zelfstandig verzocht:
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat de man en [de minderjarige] elkaar twee keer per week zullen zien, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt van de crèche en haar daar weer terug zal brengen dan wel een andere in goede justitie vast te stellen regeling;
- partijen te verwijzen naar het Kenniscentrum kind en scheiding om deel te nemen aan het traject van gezinsvertegenwoordiging;
- vaststelling van een informatieregeling zoals omschreven onder punten 15 tot en met 18 van het verweerschrift;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 59,- per maand door de man aan de vrouw te betalen;
- bepaling dat de inboedel aan de vrouw wordt toebedeeld, waarbij aan de man een overbedelingsvergoeding toekomt van € 4.000,-, dan wel een nader in goed overleg dan wel in goede justitie vast te stellen bedrag;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van [de minderjarige] tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over het kind aan één ouder toekomt als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als wijzing van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Blijkens het tweede lid van genoemd artikel wordt de beslissing gegeven bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed of bij latere beschikking.
Inhoudelijke beoordeling
Het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over de kinderen gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen.
Uit de overgelegde stukken en wat er op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. In september 2025 is de man veroordeeld wegens mishandeling van de vrouw gedurende de relatie van partijen. Aan de man is toen ook een contactverbod opgelegd voor de duur van drie jaar. Hierdoor verzoekt de vrouw haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . De vrouw voert aan dat het feitelijk niet mogelijk is om het gezag uit te oefenen gelet op het contactverbod. De man is het daar niet mee eens, hij geeft aan in te stemmen met alle beslissingen die de vrouw in deze periode zal (moeten) nemen en is bereid om een machtiging te tekenen zodat zijn handtekening niet nodig is.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende gebleken is dat het anderszins in het belang van [de minderjarige] is dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag. Zoals terecht door de vrouw is aangevoerd, is gezamenlijk gezag op dit moment feitelijk niet uitvoerbaar door het contactverbod. De rechtbank wijst er daarbij op dat het de man blijkens het contactverbod verboden is om op wat voor manier dan ook, direct of indirect, contact te hebben met de vrouw. De bereidheid van de man om in te stemmen met alle beslissingen die de vrouw over [de minderjarige] moet nemen, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. Voor die instemming zou de vrouw immers alsnog contact met de man moeten hebben, hetgeen niet is toegestaan onder het contactverbod. Evenmin ziet de rechtbank toegevoegde waarde in de volmacht die de man zou willen afgeven. Feitelijk komt dat neer op eenhoofdig gezag, maar dan gecompliceerder in het geval een instantie de volmacht niet zou accepteren, bijvoorbeeld omdat deze te breed geformuleerd of te oud zou zijn. Voorts is de rechtbank van oordeel dat in de situatie waarin de man recentelijk is veroordeeld voor het meermaals mishandelen van de vrouw, ook los van het contactverbod niet van de vrouw kan worden gevraagd met de man te overleggen over belangrijke beslissingen in het leven van [de minderjarige] . De vrouw heeft ter zitting aangegeven getraumatiseerd te zijn door alle gebeurtenissen in het verleden. De rechtbank is van oordeel dat zij daar in alle rust aan moet kunnen werken, zonder de man te moeten betrekken in gezagsbeslissingen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat zij voortaan alleen zal zijn belast met het gezag over [de minderjarige] .
Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank in een voorkomend geval een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de vaststelling van de hoofdverblijfplaats omvatten.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn het erover eens dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben. Nu de rechtbank niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich hiertegen verzet, zal de rechtbank dit verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat [de minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij haar heeft.
Ontzeggen recht op omgang
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt. Ingevolge artikel 1:377a, derde lid, BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouders of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank overweeg hierbij dat een ontzegging van het recht op omgang tussen een ouder en een kind een in tijd beperkt karakter heeft. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in ieder geval na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen ook eerder, een nieuw verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling kan worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, LJN BG5045).
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw stelt dat de man onvoorspelbaar is in zijn gedragingen en (steeds meer) moeite heeft met zijn emotie regulering. De vrouw maakt zich zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] als zij bij de man zou verblijven. De vrouw voert aan dat zij, de ex-partner van de man en zijn andere kinderen meerdere keren door de man zijn mishandeld. De andere kinderen van de man zijn nu in behandeling bij een psycholoog, hetgeen zij [de minderjarige] wil besparen. Gelet hierop acht de vrouw het niet in het belang van [de minderjarige] om omgang te hebben met de man.
De man erkent de gevoelens van de vrouw en geeft aan dat hij aan zijn behandeling is begonnen bij de Waag. Hij heeft inzicht in zijn gedrag en zijn triggers, hetgeen ervoor zorgt dat hij zijn emoties onder controle heeft. De man meent dat ontzegging van het recht op omgang niet in het belang is van [de minderjarige] . Zij heeft het recht om met beide ouders in haar leven op te groeien. Gelet op het contactverbod stelt de man een regeling voor waarbij hij [de minderjarige] twee keer per week overdag ophaalt op de crèche en haar weer terugbrengt naar de crèche. De man stelt ook voor om deel te nemen aan het traject gezinsvertegenwoordiging om de ouderrelatie vorm te geven. Er kan dan overleg plaatsvinden tussen de gezinsvertegenwoordigers en niet tussen de ouders. Ook kan de zorgregeling worden gemonitord en geëvalueerd.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot ontzetting van het recht op omgang toewijzen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank is van oordeel dat omgang met de man op dit moment anderszins in strijd is met de belangen van [de minderjarige] . [de minderjarige] is nog een klein meisje dat zich nog niet zelf kan uiten en volledig afhankelijk is van degene bij wie zij op dat moment is. Vaststaat dat de man twee keer is veroordeeld voor het mishandelen van een vrouw, waaronder ook de moeder van [de minderjarige] . Hij is nu al voor de tweede keer verwezen naar De Waag voor emotieregulatie. Deze tweede verwijzing geldt voor de duur van de proeftijd van drie jaar of zoveel korter als de reclassering verantwoord acht. Niet is gebleken dat de reclassering al heeft geconcludeerd dat de behandeling bij De Waag als afgerond kan worden beschouwd, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de behandeling nog loopt en de doelen nog niet behaald zijn. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank geen basis voor omgang met een meisje van 15 maanden. De vrouw is bovendien getraumatiseerd door de gebeurtenissen en zij heeft geen draagkracht voor de omgang tussen de man en [de minderjarige] . Ook al zou de omgangsregeling buiten haar om plaats kunnen vinden, zij zal emotioneel toch de toestemming moeten geven en daartoe is zij nu niet in staat.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om partijen te verwijzen naar het traject gezinsvertegenwoordiging. Dit traject biedt immers geen oplossing voor situaties waarin ouders op grond van een strafrechtelijk opgelegd contactverbod gedurende drie jaar geen contact mogen hebben.
Informatieregeling
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van de ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen als hij [de minderjarige] minder dan één keer per week ziet of als hem het recht op omgang wordt ontzegd. De vrouw voert verweer.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling afwijzen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, geldt op dit moment een contactverbod tussen de man en de vrouw ten aanzien van direct en indirect contact. Gelet hierop is een informatieregeling in principe niet uitvoerbaar. Ook vindt de rechtbank het van belang dat de vrouw in alle rust aan verwerking van alle gebeurtenissen kan beginnen zodat zij overeind blijft voor [de minderjarige] . Als de vrouw – in dat geval in strijd met het contactverbod –
wordt verplicht tot contact met de man om hem te informeren, kan dit ook schadelijke gevolgen hebben voor [de minderjarige] . [de minderjarige] is immers afhankelijk van de vrouw, als haar hoofdopvoeder, om zich op een gezonde en evenwichtige manier te kunnen ontwikkelen.
Kinderalimentatie
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] € 880,- per maand bedraagt in 2025. De vrouw is echter van mening dat de behoefte verhoogd dient te worden met de (netto) opvangkosten van € 770,- per maand. De man verzet zich hiertegen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behoefte van [de minderjarige] te verhogen met de opvangkosten. Deze kosten worden weliswaar gemaakt, maar de rechtbank is het met de man eens dat hij geen invloed heeft op de keuze van de vrouw om [de minderjarige] naar de opvang te sturen, voor hoeveel dagen [de minderjarige] daarheen gaat dan wel welke opvang de vrouw hiervoor kiest. Daarnaast volgt de rechtbank in dit kader ook het uitgangspunt van de expertgroep alimentatie, namelijk dat hoge opvangkosten in de praktijk gecompenseerd worden met lagere uitgaven aan een andere post. De vrouw heeft bovendien ook niet gesteld dat sprake is van dermate hoge kosten dat deze niet gecompenseerd kunnen worden met lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank zal daarom in haar berekening uitgaan van een behoefte van € 880,- per maand.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.857,44 bruto per maand, te vermeerderen met € 480,27 betaald ouderschapsverlof per maand en € 528,14 13e maand per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de bedragen zoals opgenomen in de loonstrook van november 2024.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 255,17 per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op € 5.057,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.561,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.800,50 bruto per maand exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de man overgelegde loonstroken 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 268,87 per maand. De rechtbank houdt in lijn met het Rapport alimentatienormen geen rekening met de fiscale bijtelling voor de auto.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op € 4.138,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Voor zover de vrouw nog meent dat er geen rekening dient te worden gehouden met woonlasten aan de zijde van de man, ziet de rechtbank aanleiding om dat wel te doen. Gebleken is dat de man inmiddels een eigen woning huurt, zodat de rechtbank rekening zal houden met het woonbudget zoals gebruikelijk.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De rechtbank houdt in haar berekening ook rekening met de onderhoudsbijdrage die de man aan zijn ex-partner betaalt (€ 790,- per maand). Zoals op de zitting ook al is besproken, ziet de rechtbank geen aanleiding om ook rekening te houden met de onderhoudsbijdrage jegens de andere ex-partner van de man. Conform art. 1:400 BW Pro hebben de onderhoudsverplichtingen jegens kinderen tot 21 jaar voorrang boven andere onderhoudsverplichtingen.
Rekening houdend met de hiervoor vermelde uitgangspunten, berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 321,- per maand voor [de minderjarige] .
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.882,- per maand (€ 1.561,- + € 321,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 321 / 1.882 x 880 = € 150,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.561 / 1.882 x 880 = € 730,-
samen € 880,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 150,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 730,- per maand komt voor rekening van de vrouw. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt het eigen aandeel van de man € 156,90 per maand.
Zoals hiervoor is vermeld, geldt er op dit moment geen omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] , zodat de rechtbank geen rekening zal houden met een zorgkorting.
Ingangsdatum
Bij beschikking van 18 december 2024 is een voorlopige kinderalimentatie vastgesteld. De verplichting voor de man om dit bedrag te betalen loopt door tot in de onderhavige procedure is beslist. Daarom zal de definitieve kinderalimentatie worden vastgesteld per datum van deze beschikking.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage van € 156,90 per maand aan de vrouw dient te voldoen.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarbij iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten. De man voert aan dat de inboedel in de voormalige echtelijke woning gezamenlijk is aangeschaft en derhalve verdeeld moet worden. De man wenst afspraken te maken met de vrouw over de verdeling ervan en als dat niet lukt, dan meent hij dat hij een vordering heeft op de vrouw van € 4.000,- wegens overbedeling.
De vrouw betwist dat partijen gedurende de korte duur van hun huwelijk voor € 8.000,- aan inboedelgoederen hebben gekocht.
De rechtbank overweegt als volgt. Nog daargelaten of sprake is van een eenvoudige gemeenschap, is de rechtbank van oordeel dat de man zijn vordering in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2024 te [geboorteplaats 1] ;
*
bepaalt dat de minderjarige:
-
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 te
[geboorteplaats 1] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 2] 1985 te [geboorteplaats 2] , het gezag zal toekomen over [de minderjarige] ;
*
ontzegt de man het recht op omgang met [de minderjarige] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van vandaag een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 156,90 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad
*
wijst af de verzoeken van de man tot vaststelling van een informatieregeling en tot verdeling van de inboedel.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
6 januari 2026.