ECLI:NL:RBDHA:2026:2885

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/09/688795 / FA RK 25-5493
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag en hoofdverblijfplaats in belang van minderjarige vanwege psychiatrische problematiek vader

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind en vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij haar. De vader voerde verweer. De minderjarige is geboren in 2023 en staat onder toezicht van een gecertificeerde instelling vanwege complexe zorgsituaties.

De vader kampt met psychiatrische problematiek en is opgenomen in een GGZ-instelling. Zijn gedrag is dreigend en agressief, wat de veiligheid van de moeder en het kind in gevaar brengt. De moeder verblijft op een geheime locatie en het kind is tijdelijk uit huis geplaatst in een pleegzorgvoorziening.

De rechtbank oordeelt dat het in het belang van het kind is dat de moeder voortaan alleen het gezag uitoefent, omdat gezamenlijke beslissingen de veiligheid in gevaar brengen. De hoofdverblijfplaats wordt niet afzonderlijk vastgesteld omdat het kind de woonplaats volgt van degene die het gezag heeft. De vader kan bij herstel van zijn situatie het gezag weer verzoeken.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank kent het gezag over de minderjarige toe aan de moeder en wijst het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5493
Zaaknummer: C/09/688795
Datum beschikking: 16 januari 2026

Gezag, hoofdverblijfplaats

Beschikking op het op 18 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hayaty te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam.
De rechtbank merkt aan als informant:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

de gecertificeerde instelling.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift.
Op 19 december 2025 heeft een gecombineerde zitting plaatsgevonden, waarop ook het (aangehouden) verzoek van de gecertificeerde instelling is behandeld met betrekking tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] (geregistreerd onder kenmerk C/09/693741). Hierin is op 19 december 2025 mondeling uitspraak gedaan.
Op de zitting zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder (via een telefonische verbinding), bijgestaan door haar advocaat en een tolk: M. Hautemann;
  • [naam 1] en [naam 2] namens respectievelijk de gecertificeerde instelling en het Landelijk Expertise Team (LET).

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot:
- beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder voortaan
alleen het gezag over [de minderjarige] zal hebben;
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
- De vader heeft [de minderjarige] erkend.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 december 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 11 maart 2025.
- Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 maart 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling en is een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder verleend tot 7 maart 2026. [de minderjarige] is nadien weer teruggeplaatst bij de moeder.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 november 2025 [de minderjarige] uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg van 6 november tot 28 december 2025 en het verzoek voor het overige aangehouden.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 13 november 2025 is een verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen en is het verzoek van de moeder om de vader de omgang te ontzeggen eveneens afgewezen.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 december 2025 (in voornoemde procedure met zaaknummer C/09/693741) [de minderjarige] uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg van 28 december 2025 tot 6 maart 2026.
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Colombiaanse nationaliteit.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek inzake het gezag en de hoofdverblijfplaats.
Gezag
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat [de minderjarige] opgroeit in een zorgelijke en complexe situatie. Bij de vader is sprake van psychiatrische problematiek. Hij is inmiddels opgenomen in een GGZ-instelling, en zijn toestandsbeeld is tot op heden weinig verbeterd. De vader laat zich daarbij zeer dreigend en agressief uit en is onvoorspelbaar in zijn handelen. Hij blijft daarbij invloed uitoefenen op de vrouw, waartegen zij moeilijk weerstand kan bieden. De moeder verblijft op een geheime locatie en [de minderjarige] is vanwege de veiligheidsrisico’s uithuisgeplaatst bij een voorziening voor pleegzorg.
Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk om de moeder voortaan alleen het gezag te laten uitoefenen. Van de moeder kan, gelet op haar veiligheid, haar weerbaarheid en de gebeurtenissen uit de afgelopen periode, niet worden verwacht dat zij nog samen met de vader beslissingen neemt over [de minderjarige] . Zoals op de zitting ook door het LET is benoemd, kunnen op dit moment beslissingen over school, huisarts, opvang, hulpverlening, et cetera, niet worden genomen, omdat hiervoor de instemming van de vader nodig is. Betrokkenheid van de vader zal er echter toe leiden dat de vader bekend wordt met de (medewerkers van de) betrokken instanties en de verblijfplaats van [de minderjarige] en/of de moeder. Met het oog op de veiligheid van al deze personen is het niet wenselijk dat vader achter hun identiteit of verblijfplaats komt, en de directe veiligheid van [de minderjarige] vergt daarom dat de moeder gezagsbeslissingen alleen kan nemen. Daar komt bij dat, gelet op de beperkte stappen die de vader tot nu toe in zijn herstel heeft gezet, de rechtbank niet de verwachting heeft dat hij op een afzienbare termijn het belang van [de minderjarige] bij het nemen van beslissingen weer voorop zal kunnen stellen.
De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen en bepalen dat zij voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] heeft. Daarbij geeft de rechtbank wel mee dat dit niet hoeft te betekenen dat de vader geen gezag meer zal hebben over [de minderjarige] totdat hij achttien jaar is. Op het moment dat de vader stabiel is en zijn leven weer op orde heeft, bestaat voor hem altijd de mogelijkheid om herstel van het gezag te verzoeken.
Hoofdverblijfplaats
Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag zal toewijzen, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar. Op grond van artikel 1:12 BW Pro volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

BeslissingDe rechtbank:

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] , het gezag zal toekomen over de minderjarige:
­ [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 januari 2026.