De minister legde op 23 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, nadat diens asielaanvraag niet-ontvankelijk was verklaard en een terugkeerbesluit was genomen. Eiser werd staande gehouden en in bewaring gesteld op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Op dezelfde dag kende de Afdeling bestuursrechtspraak een voorlopige voorziening toe die tijdelijk rechtmatig verblijf gaf, maar deze wijziging werd pas na de bewaring geregistreerd.
Eiser voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was vanwege zijn gewijzigde rechtspositie door de voorlopige voorziening en dat de minister de bewaring eerder had moeten opheffen. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding en inbewaringstelling rechtmatig waren omdat de voorlopige voorziening pas na de bewaring bekend was bij de minister. Ook was de opheffing van de bewaring binnen 24 uur na de wijziging van de rechtspositie redelijk en in lijn met vaste rechtspraak.
De rechtbank concludeerde dat de minister geen schadevergoeding hoefde toe te kennen omdat de bewaring niet onrechtmatig was geweest. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.