ECLI:NL:RBDHA:2026:2842

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694978 / FA RK 25-8810
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 PaspoortwetArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming paspoort en vakantie voor minderjarige in belang van het kind

De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort en het maken van een vakantie met de minderjarige, omdat de vader geen toestemming gaf. Partijen oefenen gezamenlijk gezag uit over het kind, maar de vader was niet bereid toestemming te verlenen en verscheen niet op de zitting.

De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het kind is dat het een geldig legitimatiebewijs heeft en dat de moeder daarom vervangende toestemming krijgt voor het paspoort. Voor de vakantie gaf de moeder aan dat het contact met de vader verbroken is en zij met het kind en haar ongeboren baby naar het buitenland wil reizen, met ondersteuning van haar vader.

De rechtbank vond het belang van het kind ook hier leidend en beperkte de vakantieperiode tot drie maanden in plaats van de door de moeder gevraagde zeven maanden, om het contact met de vader niet onnodig te belemmeren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de moeder voor het paspoort en een vakantie van drie maanden met de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8810
Zaaknummer: C/09/694978
Datum beschikking: 15 januari 2026

Paspoortwet en vervangende toestemming vakantie

Beschikking op het op 21 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.S. van Haeften te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 24 november 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 1 december 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage.
Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder en haar advocaat.
De vader is zelf – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:
  • dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend zodat zij voor [de minderjarige] een nieuw paspoort c.q. ID-bewijs kan aanvragen en te bepalen dat deze toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vader;
  • dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om met [de minderjarige] van februari 2026 tot en met augustus 2026, danwel van februari 2026 tot en met mei 2026, danwel voor een periode zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, op vakantie mag gaan naar [land] ( [plaats] ) en te bepalen dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vader;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Vervangende toestemming paspoort c.q. ID-bewijs
Wettelijk kader
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Volgens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Volgens het vijfde lid van artikel 34 van Pro de Paspoortwet geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft in dit kader aangevoerd dat [de minderjarige] al in februari 2025 is geboren, maar nog geen geldig legitimatiebewijs heeft. De moeder is door de vader op alle mogelijke manieren geblokkeerd en het lukt haar dan ook niet toestemming van hem te krijgen voor de aanvraag van een paspoort voor [de minderjarige] . De moeder verzoekt daarom vervangende toestemming.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Zij acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij een geldig legitimatiebewijs heeft.
Vervangende toestemming vakantie
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW beproeft de rechtbank een vergelijk tussen de ouders voordat zij een beslissing neemt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft in dit kader het volgende aangevoerd. Net als voor de aanvraag voor een paspoort, lukt het de moeder ook niet om contact te krijgen met de vader voor toestemming voor een vakantie met [de minderjarige] . De moeder is op dit moment zwanger van een tweede kindje en wil graag samen met de twee kinderen van februari 2026 tot en met augustus 2026 op vakantie naar [land] , naar het huis van haar vader in [plaats] . De ouders zijn een aantal keer uit elkaar gegaan en weer bij elkaar gekomen, maar nadat de moeder zwanger werd van het tweede kindje is het contact (en de relatie) definitief verbroken. Na de breuk in april 2025 heeft de vader heeft volgens de moeder geen interesse getoond in [de minderjarige] (en ook niet in de huidige zwangerschap). Een langer verblijf in het buitenland zal dan ook niet in de weg staan aan contact tussen de vader en [de minderjarige] , omdat dat er niet is. Mocht de rechtbank de door de moeder verzochte periode in [land] te lang vinden, dan verzoekt zij subsidiair toestemming voor februari 2026 tot en met mei 2026 dan wel een periode die de rechtbank juist acht.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank snapt dat de moeder graag naar [land] wil met [de minderjarige] en de nog ongeboren baby. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank ook goed nagedacht over de reis, in die zin dat haar vader met haar mee gaat om haar (medisch) te ondersteunen met de kinderen en haar herstel van de zwangerschap(pen). De rechtbank weet echter dat er ook een vader is in Nederland. Op het moment dat hij besluit wel weer betrokken te willen zijn in het leven van [de minderjarige] , dan moet het opstarten hiervan niet eerst maanden stilliggen doordat de moeder met de kinderen in het buitenland zit. Dat vindt de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] . De rechtbank zal daarom de moeder vervangende toestemming geven om naar [land] te gaan voor drie maanden, in plaats van de verzochte zeven.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument van de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] ;
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] , naar [land] ( [plaats] ) te reizen gedurende de periode februari 2026 tot en met april 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 januari 2026.